Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €500.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof oordeelde dat ook het voordeel uit een feit waarvoor de betrokkene was ontslagen van alle rechtsvervolging ontnemingsvatbaar was.
De betrokkene stelde in cassatie dat het voordeel uit het feit waarvoor hij was ontslagen niet als wederrechtelijk verkregen kon worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof omtrent het begrip wederrechtelijk verkregen voordeel niet onjuist of onbegrijpelijk was.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde deze vast op €495.000.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt dat ontslag van rechtsvervolging niet automatisch uitsluit dat het voordeel uit dat feit ontnemingsvatbaar is, mits sprake is van een veroordeling voor een ander misdrijf waarbij het voordeel is verkregen.
De beslissing werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 26 november 2013.
Uitkomst: De betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot €495.000.