ECLI:NL:HR:2013:BX8359
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad door overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De zaak betreft een vreemdelingenprocedure waarin eiser, een Egyptische nationaliteit bezittende persoon, meerdere aanvragen tot verblijfsvergunning indiende die werden afgewezen. De bezwaarfase duurde in de eerste procedure ruim twee jaar en in de tweede bijna een jaar. Eiser vorderde een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door niet binnen een redelijke termijn te beslissen en eiste immateriële schadevergoeding.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit vonnis. Het hof stelde dat art. 6 EVRM Pro niet van toepassing is op procedures betreffende toegang en verblijf van vreemdelingen zonder rechterlijke betrokkenheid, maar dat de duur van de bezwaarfase wel meegewogen kan worden bij de beoordeling van redelijke termijn. Het hof oordeelde dat geen overschrijding van de redelijke termijn had plaatsgevonden in de gecombineerde bezwaar- en beroepsfase.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en stelt dat een te lange duur van enkel de bezwaarfase niet automatisch leidt tot een veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie zoals bij art. 6 EVRM Pro. Eiser moet zelf stellen en bewijzen dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden door de lange duur. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; eiser krijgt geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de bezwaarfase zonder bewijs van daadwerkelijke schade.