Conclusie
1.[verzoekster 1]
[verzoekster 2]
1.mr. P.R. Dekker q.q.
mr. G. te Biesebeek q.q.
RC) met toestemming aan een van de curatoren van [verzoekster 1], mr. P.R. Dekker (
Dekker), om de door [verzoekster 1] bij de rechtbank Haarlem ingestelde beroepsprocedures tegen aanslagen dividendbelasting 2013 en 2014 over te nemen en direct in te trekken (de
Beschikking).”
2.Belang bij het cassatieberoep
verweerschrift onder 5) dat het stelsel van de Faillissementswet zich ertegen verzet dat de gefailleerde die buiten het geding wordt gesteld doordat de curator zijn procedure overneemt, zou kunnen opkomen tegen de onderliggende machtiging van de r-c. Zij verwijzen naar de uitspraak van Uw Raad in de zaak
S/mr. Hoppenbrouwers q.q. [5] ten betoge dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] geen boedelbelang hebben. Naar mijn mening faalt dit betoog. De overweging in de zaak
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.over het stelsel van de Faillissementswet is gegeven in het kader van de vraag of de gefailleerde als “partij” in de zin van art. 67 Fw Pro kan opkomen tegen een beslissing van de r-c. Onze zaak gaat over dezelfde kwestie: het cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] niet zijn aan te merken als partijen bij de beschikking van de r-c in de zin van art. 67 Fw Pro. Het cassatieberoep strandt om die reden niet al bij gebrek aan (boedel- en cassatie)belang op grond van wat in
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.is overwogen. De uitspraak
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.zal hierna bij de inhoudelijke bespreking van het cassatieberoep nog nader aan bod komen.
verweerschrift onder 6) menen de curatoren dat de beroepstermijn is overschreden. De mondelinge beschikking van de r-c dateert van maandag 5 maart 2018, tegen welke beslissing volgens art. 67 Fw Pro binnen een termijn van vijf dagen hoger beroep mogelijk is. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn op 8 maart 2018, dus hangende de appeltermijn, van de beschikking op de hoogte geraakt, maar het appelverzoekschrift is ingediend op dinsdag 13 maart 2018. Dat is een overschrijding van de ambtshalve te beoordelen appeltermijn, die van openbare orde is. Volgens de curatoren had de rechtbank [verzoekster 1] en [verzoekster 2] dus hoe dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.
verweerschrift onder 7) wordt bepleit dat [verzoekster 1] in het beroep tegen de naheffingsaanslagen niet-ontvankelijk zou zijn verklaard wanneer de curatoren de procedure niet zouden hebben overgenomen. De curatoren wijzen erop dat ingevolge art. 8:22 van Pro Algemene Wet Bestuursrecht (‘Awb’) in een bestuursrechtelijke procedure art. 25 Fw Pro van overeenkomstige toepassing is. Volgens de curatoren sluit art. 25 Fw Pro weliswaar niet uit dat de gefailleerde zelf een rechtsvordering instelt, maar kan de wederpartij (de fiscus) dan de niet-ontvankelijkheid van de gefailleerde inroepen. Hieruit zou volgen dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] er geen belang bij hebben om op te komen tegen de machtiging van de r-c.
3.Bespreking van het cassatieberoep
[…] /mr. Berntsen q.q.dat hoger beroep alleen open staat voor degene die ‘partij’ was bij de beschikking van de r-c [33] . In die zaak ging het om een machtiging van de r-c op de voet van art. 68 Fw Pro om een procedure aan te spannen tegen […] . […] stelde, in zijn hoedanigheid van schuldeiser in het faillissement, hoger beroep tegen de verleende machtiging in. Uw Raad oordeelde als volgt. In het geval een schuldeiser op grond van art. 69 Fw Pro is opgekomen tegen een handeling van de curator, staat voor hem op grond van art. 67 Fw Pro tegen de beschikking van de r-c hoger beroep open [34] . De ontvankelijkheid van de schuldeiser vloeit dan voort uit het feit dat hij het tot de beschikking leidende verzoek aan de r-c heeft gedaan. De vraag of een schuldeiser ook in andere gevallen hoger beroep kan instellen, moet ontkennend worden beantwoord: alleen degene die partij was bij de beschikking heeft die bevoegdheid. Annotator Van Schilfgaarde merkt op dat het denkbaar is dat de schuldeiser een bevel verzoekt om geen machtiging te vragen of om een machtigingsverzoek in te trekken. Hij komt tot de slotsom dat daarmee het nut verbleekt van de regel dat schuldeisers geen beroepsrecht hebben tegen de machtigingsbeschikking [35] .
[…] /mr. Udo q.q.(2008) [36] ,
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.(2013) [37] en
[…] /mr. Herstel q.q.(2017) [38] heeft Uw Raad verduidelijkt aan wie het recht van hoger beroep ingevolge art. 67 Fw Pro tegen een beschikking van de r-c toekomt. Uit deze uitspraken blijkt dat dit recht toekomt aan twee categorieën belanghebbenden die worden aangemerkt als ‘partij’ bij de beschikking, te weten degenen die het tot de beschikking leidende verzoek aan de r-c hebben gedaan, en degenen tot wie de beschikking is gericht. Daaronder wordt onder meer verstaan de curator aan wie de r-c een bevel heeft gegeven.
[…] /mr. Udo q.q.verder dat degene tegen wie op grond van een machtiging een procedure mag worden aangespannen, niet om die enkele reden als ‘partij’ bij de beschikking van de r-c kan worden aangemerkt. Weliswaar is zijn belang direct betrokken bij de machtiging om een procedure tegen hem te starten, maar zijn rechtspositie wordt volgens deze beslissing niet aangetast door gebruik van de machtiging.
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.kwam de gefailleerde op tegen de toestemming van de r-c aan de curator tot het aangaan van een schikking in een door de curator overgenomen procedure (art. 104 Fw Pro). De gefailleerde kon volgens Uw Raad op de navolgende gronden niet worden aangemerkt als partij bij de beschikking van de r-c. De door de curator overgenomen procedure betrof een geding dat de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel had. Bij overname van zo’n zaak komt de gefailleerde buiten het geding te staan en wordt dat geding door de curator voortgezet met als inzet het belang van de boedel. Met de positie van de gefailleerde is in het stelsel van de Faillissementswet op andere wijze rekening gehouden (art. 126 Fw Pro). Dit stelsel brengt voor het door de curator voortgezette geding mee dat ook het beëindigen van de procedure door bijvoorbeeld een schikking gebeurt in het belang van de boedel. Hiermee is niet verenigbaar dat de gefailleerde als ‘partij’ in de zin van art. 67 Fw Pro zou kunnen opkomen tegen een beschikking van de r-c als hier aan de orde.
[…] /mr. Herstel q.q.betrof een afwijzende beschikking van de r-c op het verzoek van de curator om toestemming voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst. De beoogde contractspartij kwam tegen deze afwijzing op. Naar het oordeel van Uw Raad was zij echter geen partij bij de beschikking. De omstandigheid dat het belang van de beoogde contractspartij direct betrokken is bij de beslissing van de r-c, brengt mee dat zij als ‘belanghebbende’ in de zin van art. 67 lid 1 Fw Pro het recht heeft om te worden gehoord in een door een ander geëntameerde beroepsprocedure. De beslissing van de r-c leidt echter op zichzelf niet tot een aantasting van de rechtspositie van de beoogde contractspartij. De r-c dient zich bij zijn beslissing over het aangaan van een minnelijke regeling in de eerste plaats te laten leiden door het belang van de boedel. De in art. 67 Fw Pro voorziene mogelijkheid van hoger beroep is gegeven om de bij het beheer van de boedel betrokken belangen te behartigen. De beoogde contractspartij kan daarom niet worden aangemerkt als degene tot wie de beschikking was gericht en haar komt niet de bevoegdheid toe om op de voet van art. 67 Fw Pro hoger beroep tegen de beschikking van de r-c in te stellen.
belanghebbendehet recht om te worden gehoord in een door een ander geëntameerde beroepsprocedure; een zelfstandig beroepsrecht komt hem echter niet toe.
eerste en tweede klachtkomen op tegen het oordeel dat de machtiging niet (ook) is gericht tot [verzoekster 1] en/of [verzoekster 2] . Volgens de eerste klacht is onjuist of onbegrijpelijk dat de rechtbank, hoewel zij heeft gevraagd naar de inhoud van de machtigingsbeschikking, genoegen heeft genomen met het sluitstuk (dictum) van de overwegingen van de r-c. De tweede klacht voegt hieraan toe dat de rechtbank, bij gebreke van de overwegingen die de r-c tot de machtigingsbeslissing hebben geleid, niet tot het oordeel kon komen dat de machtiging niet ook tot [verzoekster 1] en/of [verzoekster 2] is gericht.
eerste en tweede klachtongegrond zijn.
derde klachtkomt ook op tegen het oordeel dat de machtigingsbeschikking niet (ook) is gericht tot [verzoekster 1] en/of [verzoekster 2] . De klacht wijst erop dat art. 126 Fw Pro [verzoekster 1] en [verzoekster 2] in dit geval geen soelaas biedt. Verder zou het beëindigen van de gerechtelijke procedure niet uitsluitend in het belang van de boedel plaatsvinden. In dat verband wordt gewezen op de stellingen uit het beroepschrift die in het verzoekschrift tot cassatie onder 9 (‘procesverloop en relevante feiten’) zijn opgesomd. In dit licht zou met het rechtsmiddelenstelsel van de Faillissementswet te verenigen zijn dat voor [verzoekster 1] en [verzoekster 2] , als belanghebbenden of partijen tot wie de machtiging zich richt, hoger beroep open staat, omdat zij hebben te gelden als belanghebbenden dan wel als partijen tot wie machtiging zich richt.
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.is het uitsluiten van hoger beroep gerechtvaardigd geacht omdat art. 126 Fw Pro voldoende rekening houdt met de positie van de gefailleerde en het instellen van rechtsmiddelen of het beëindigen van een procedure uitsluitend in het belang van de boedel dient te geschieden (toelichting onder 1-3). Hieruit zou volgen dat in het geval art. 126 Fw Pro de gefailleerde geen soelaas biedt en/of de (voorgenomen) beëindiging van een procedure niet (uitsluitend) in het belang van de boedel plaatsvindt, wel hoger beroep voor de belanghebbenden open staat. In deze zaak zou art. 126 Fw Pro geen baat brengen zodra de belastingaanslagen kracht van gewijsde hebben verkregen. Verder zou sprake zijn van een met de boedel strijdig belang en een eigen belang van mr. Dekker q.q. (toelichting onder 4-7). Tot slot wordt opgemerkt dat Van Schilfgaarde er in zijn NJ-annotatie onder
[…] /mr. Berntsen q.q.voor pleit om schuldeisers in zaken als deze een beroepsrecht te geven (toelichting onder 8).
teveeldividendbelasting ingehouden heeft, kan de belastingplichtige daartegen ingevolge art. 26a, lid 1, onderdeel b, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen 2013 bezwaar en beroep instellen [43] . Volgens deze bepaling mag de belanghebbende van wie de belasting is ingehouden in beroep gaan. [verzoekster 2] heeft dus een zelfstandig recht van beroep tegen de inhouding. [verzoekster 2] wordt daarom door de intrekking van de beroepsprocedures van [verzoekster 1] niet in haar rechtspositie getroffen.
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.rechtvaardigt volgens mij niet de gevolgtrekking dat hoger beroep voor [verzoekster 1] en/of [verzoekster 2] open zou staan. Op grond van art. 126 Fw Pro is de gefailleerde bevoegd om zich, onder summiere opgaaf van gronden, tegen de toelating van een vordering of de erkenning van een voorrang te verzetten. In de uitspraak
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.is kort gezegd overwogen dat de curator een van de gefailleerde overgenomen geding voortzet met als inzet het belang van de boedel, dat daarmee niet verenigbaar is dat de gefailleerde als partij zou kunnen opkomen tegen een in dat kader door de r-c gegeven beschikking en dat met de positie van de gefailleerde in het stelsel van de wet op andere wijze rekening is gehouden (art. 126 Fw Pro). Hieruit volgt niet dat de gefailleerde een recht van hoger beroep zou toekomen als art. 126 Fw Pro hem geen baat brengt. Die omstandigheid maakt de gefailleerde immers nog geen partij bij de beschikking van de r-c. Uit de genoemde overweging volgt evenmin dat de gefailleerde of zijn bestuurder een beroepsrecht zou toekomen wanneer de (machtiging tot) beëindiging van de gerechtelijke procedure niet in het belang van de boedel zou zijn. De curator dient immers te handelen in het belang van de boedel en het ligt op de weg van de r-c om te beoordelen of met de voorstelde intrekking van de procedure het belang van de boedel inderdaad is gediend.
[…] /mr. Berntsen q.q.leidt denk ik ook niet tot een ander oordeel. Van Schilfgaarde heeft in die noot inderdaad bepleit om schuldeisers in meer gevallen een beroepsrecht te geven. Uit de nadien gewezen uitspraken
[…] /mr. Udo q.q.(2008),
S/mr. Hoppenbrouwers q.q.(2013) en
[…] /mr. Herstel q.q.(2017) blijkt dat Uw Raad deze opvatting niet deelt. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben tot slot nog aangevoerd dat zij belanghebbenden zijn bij de beschikking van de r-c. Uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt echter dat niet aan iedere belanghebbende het recht van hoger beroep van art. 67 Fw Pro toekomt (vgl. hiervoor in 3.11-3.12).
derde klachtis dan ook vergeefs voorgesteld.
vierde klachtis onaanvaardbaar dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hun bezwaren tegen de machtiging uitsluitend in een aansprakelijkheidsprocedure, en niet op de voet van art. 67 Fw Pro, naar voren kunnen brengen. Daartoe wordt wederom gewezen op de stel-lingen die in het cassatierekest onder 9 (‘procesverloop, relevante feiten’) zijn weergegeven.
Lehman Brothers [44] zou blijken dat onder omstandigheden, uit het oogpunt van een redelijke wetsuitlegging en om onaanvaardbare consequenties te voorkomen, de weg van art. 67 Fw Pro open staat voor belanghebbenden die geen partij zijn bij de beschikking (toelichting onder 9-10). [verzoekster 1] en [verzoekster 2] betogen dat deze situatie zich hier ook voordoet. Zij verwijzen naar de stellingen die zijn weergegeven onder 9 van het verzoekschrift tot cassatie (‘procesverloop, relevante feiten’). Deze stellingen houden in dat sprake is (i) van strijd met de belangen van de boedel en van derden en (ii) van een met het belang van de boedel strijdig eigen belang van mr. Dekker q.q. (toelichting onder 11). Verder wijzen zij erop dat de verleende machtiging uitsluitend in hoger beroep kan worden aangetast, en niet in een aansprakelijkheidsprocedure (toelichting onder 12-14). Hoger beroep moet daarom ook toelaatbaar worden geacht bij een machtiging zonder ‘wederpartij’ (toelichting onder 15-18). Daarbij is van belang dat gebreken (anders dan bij een beslissing op een beslagrekest) niet in een (volgende) procedure aan de orde kunnen worden gesteld (toelichting onder 19-20). Het nut van een beroepsrecht volgt uit de uitspraak
T/mr. Van Voorst q.q. [45] (toelichting onder 21-23). Door de machtiging van de r-c om de procedure terstond in te trekken, hadden [verzoekster 1] en Van Sluijsveld geen mogelijkheid de voorgenomen handeling, die afbreuk doet aan hun positie, te trachten te keren op de voet van art. 69 Fw Pro (toelichting onder 24-29).
eerste plaatskunnen schuldeisers en de gefailleerde op de voet van art. 69 Fw Pro bij de r-c een bevel uitlokken, waarna voor de verzoeker op grond van art. 67 Fw Pro hoger beroep tegen de beslissing van de r-c openstaat. In onze zaak had een bevel kunnen worden verzocht tot het voortzetten van de procedures. Daarvoor is niet nodig dat de curator eerst een voornemen kenbaar heeft gemaakt om de procedure over te nemen en in te trekken. In deze zaak was de rechtsingang van art. 69 en Pro 67 Fw dus op die wijze toepasbaar.
tweede plaatsmoet een voorgenomen beslissing tot overname van een geding (art. 27 lid 3 Fw Pro) ingevolge art. 68 Fw Pro door de r-c worden getoetst [46] . In onze zaak heeft de r-c deze machtiging conform het verzoek van de curator verleend.
derde plaatskan de curator aansprakelijk worden gesteld voor een onvoldoende adequate vervulling van zijn taak [47] . De boedel is aansprakelijk voor onrechtmatige gedragingen van de curator [48] . Wanneer de curator persoonlijk een verwijt valt te maken, kan hij ook in persoon aansprakelijk zijn [49] . Er kan dus zowel vooraf als achteraf toezicht plaatsvinden op de handelwijze van de curator. Bij die stand van zaken is het niet onaanvaardbaar te achten dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] niet op de voet van art. 67 Fw Pro hoger beroep kunnen instellen tegen de machtiging van de r-c.
Lehman Brothersen de daarop gegronde argumentatie brengen mij niet tot een andere kijk op deze kwestie. In de zaak
Lehman Brothersging het er niet om of de verzoeker kwalificeert als partij bij de beschikking, maar of de bezwaren tegen de beschikking langs de weg van art. 67 Fw Pro naar voren konden worden gebracht. In deze zaak had de r-c een beschikking gegeven over de wijze van stemming over een aangeboden akkoord. De beschikking van de r-c raakte de rechtspositie van de schuldeisers [50] . Een schuldeiser had zijn bezwaren tegen deze beschikking op de voet van art. 67 Fw Pro naar voren gebracht. Hij had daaraan ten grondslag gelegd dat de in de beschikking van de r-c vastgelegde wijze van stemming onzorgvuldigheden bevatte die niet adequaat konden worden geheeld in een homologatieprocedure. Uw Raad oordeelde dat de bezwaren onder die omstandigheden niet alleen in de homologatieprocedure, maar ook op de voet van art. 67 Fw Pro naar voren kunnen worden gebracht. Anders dan in de zaak
Lehman Brothers, staat in onze zaak centraal of de appellanten kwalificeren als partij bij de beschikking. Dit is niet zo. [verzoekster 1], vertegenwoordigd door haar bestuurder, kan niet optreden namens de boedel en [verzoekster 2] wordt door de beschikking niet in haar rechtspositie geraakt. Dit betekent dat zij aan de uitspraak
Lehman Brothersgeen steun kunnen ontlenen.
vierde klachttreft om die reden geen doel.
vijfde klachtis geformuleerd voor het geval de rechtbank de in de eerdere klachten genoemde rechtsingang niet heeft miskend. In dat geval zou de beslissing onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank zou dan namelijk hebben moeten ingaan op de gestelde feiten en omstandigheden die in het verzoekschrift tot cassatie onder 9 (‘procesverloop en relevante feiten’) zijn opgesomd. Verder zou de rechtbank dan hebben moeten onderzoeken of de r-c van die feiten en omstandigheden op de hoogte was en deze in zijn beoordeling heeft betrokken. Deze klacht faalt. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] niet het recht toekomt om hoger beroep in te stellen tegen de machtiging van de r-c, omdat zij hierbij geen partij zijn. Aan een inhoudelijke beoordeling van de door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] gestelde feiten en omstandigheden wordt dus niet toegekomen.
eerste aanvullende klachtwijst erop dat stafjurist mr. L.H.M. Vermeulen zowel betrokken is geweest bij de beslissing van de r-c als bij de beslissing van de rechtbank in appel.
Hauschildtvan het EHRM. Het verweer van de curatoren dat art. 6 EVRM Pro hier niet van toepassing is (aanvullend verweerschrift onder 5-6) acht ik daarom ongegrond.
Hauschildtoordeelde het EHRM kort gezegd dat betrokkenheid van een rechter bij een eerdere fase van de procedure op zichzelf nog geen vrees ten aanzien van diens onpartijdigheid rechtvaardigt. Dit ligt echter anders wanneer de rechter zich hierbij heeft moeten uitspreken over aspecten die in het vervolg van de procedure opnieuw voorliggen [55] .
eerste aanvullende klachtis dus vergeefs voorgesteld.
tweede aanvullende klachtborduurt voort op de eerste klacht van het initiële cassatierekest, die ten betoge strekt dat de rechtbank geen genoegen had mogen nemen met het sluitstuk (dictum) van de overwegingen van de r-c. Uit blz. 4 en 5 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling zou volgen dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] het belang hebben benadrukt van de overwegingen van de waarnemend r-c. De beslissing om het onderzoek af te ronden en de zaak af te doen zonder deze overwegingen, zou ook gezien het gestelde belang van die overwegingen onjuist of onbegrijpelijk zijn (aanvullend verzoekschrift onder 2.1.-2.6.). [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zouden met die stellingen een beroep hebben gedaan op de regel dat de rechtbank als appelrechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid uit dient te gaan van het verzoek en de grondslag zoals deze door de waarnemend r-c zijn vastgesteld. De rechtbank zou gezien art. 24 Rv Pro ten onrechte niet op die stellingen zijn ingegaan (aanvullend verzoekschrift onder 2.7.-2.8.). Althans zou de beslissing in dat licht niet voldoende zijn gemotiveerd (aanvullend verzoekschrift onder 2.9. en 2.11.).
“(…) “Concreet verzoeken (…)”, en “
(…) Deze toestemming is gegeven mede inachtgenomen de nadere toelichting van mr. Dekker per telefoon en per e-mail op dit verzoek.” De rechtbank zou onder die omstandigheden, zo wordt betoogd, niet hebben mogen oordelen dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] geen partij zijn bij de beschikking van de r-c en dus niet-ontvankelijk zijn (aanvullend verzoekschrift onder 2.12.)
tweede aanvullende klachtfaalt dus eveneens.