2.1.De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiseres heeft een eenmanszaak (hierna: de onderneming) die sinds 1 oktober 2010 staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De onderneming handelt onder de handelsnamen ‘ [A] ’ en ‘ [B] ’ (voorheen: ‘ [C] ’).
2. Volgens de gegevens uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van de onderneming uit juridische dienstverlening, waaronder begrepen ondersteunende werkzaamheden, het schrijven van juridische en niet-juridische teksten en het illustreren, publiceren en/of verkopen van eigen werk.
3. Op 4 maart 2020 heeft eiseres een aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend. Het hierin aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 2.639. De door eiseres aangegeven winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) bedraagt € 850. Eiseres heeft vervolgens de zelfstandigenaftrek hierop toegepast, waarna een belastbare winst uit onderneming van € 0 resteert en een niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek van € 6.430.
4. Na correspondentie tussen eiseres en verweerder heeft verweerder met dagtekening 27 januari 2022 de aanslag IB/PVV 2019 aan eiseres opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.370. Verweerder is daarbij van de aangifte afgeweken door de zelfstandigenaftrek niet op de aangegeven winst uit onderneming toe te passen en dientengevolge ook geen niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen.
Verweerder heeft in zijn (aan de aanslag voorafgaande) brief met dagtekening 15 december 2021 het standpunt ingenomen dat eiseres niet aan de op haar rustende informatieplicht heeft voldaan, omdat eiseres volgens hem na herhaaldelijk verzoek geen leesbare, duidelijke urenregistratie overgelegd heeft.
5. Eiseres heeft op 1 februari 2022 bezwaar aangetekend tegen de aanslag IB/PVV 2019. Vervolgens heeft zij op 29 april 2022 een ingebrekestelling gestuurd aan verweerder vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Onder de gedingstukken bevindt zich een kopie van deze ingebrekestelling met daarop een ontvangststempel van de Belastingdienst van 4 mei 2022.
6. Op 13 mei 2022 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 mei 2022 om 10:00 uur of 13:00 uur. Eiseres heeft op 14 mei 2022 per e-mail aan verweerder laten weten dat zij niet in de gelegenheid is op de voorgestelde datum op een hoorzitting aanwezig te zijn en dat zij het tijdsbestek tussen de uitnodiging en de voorgestelde datum en tijdstippen erg kort vindt.
7. Verweerder heeft met dagtekening 18 mei 2022 uitspraak op bezwaar gedaan zonder dat er een hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
8. Met dagtekening 24 mei 2022 heeft verweerder een zogenoemde dwangsombeschikking vastgesteld waarin verweerder het standpunt inneemt dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom. Eiseres heeft geen bezwaar aangetekend tegen de dwangsombeschikking.
9. Eiseres heeft op 25 mei 2022 digitaal beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking.”