Belanghebbende was in beroep tegen navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 1991 tot en met 2000. Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad werd de zaak door het Hof te ’s-Gravenhage behandeld. Het Hof bevestigde de boeten en verhogingen deels, maar de Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte het arrest van 28 juni 2013 niet correct heeft toegepast voor de jaren 1991 en 1992.
De Hoge Raad stelt vast dat het bewijs voor de verhogingen in die jaren uitsluitend berust op een bewijsvermoeden, wat onvoldoende is om de boeten te handhaven. Daarom vernietigt de Hoge Raad het Hofarrest voor die jaren en gelast kwijtschelding van de verhogingen. Voor de overige jaren blijven de boeten en verhogingen in stand vanwege het aantoonbare aanzienlijke tegoed van belanghebbende bij een Luxemburgse bank.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende. Hiermee wordt het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof gedeeltelijk vernietigd.