Daar tegenover staat echter dat gebleken is dat aan uitvoering van het verhoor van deze zegsman risico’s zijn verbonden. De rechtbank zal derhalve moeten afwegen het verdedigingsbelang tegenover de betreffende risico’s.
Daarbij spelen de volgende factoren een rol:
De betreffende risico’s zijn meermalen getoetst door de rechter-commissaris. Deze is van oordeel dat het horen van de zegsman van de informant met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot onthulling van de identiteit van de informant zal leiden en dat bij onthulling van de identiteit van de informant er een zeer grote kans bestaat dat de informant in levensgevaar komt te verkeren.
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid, dreigend levensgevaar voor anderen dan een getuige, hoewel deze niet in de wet als expliciete weigeringsgrond is genoemd, bij de afweging van de betrokken belangen kan en moet worden betrokken.
De rechtbank baseert zich daarbij op de verplichtingen die voortvloeien uit het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.
De rechtbank is voorts van oordeel dat, gezien de mate van voorzien gevaar, aan deze omstandigheid een groot gewicht toekomt in het kader van de te verrichten belangenafweging.
Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat er inspanningen zijn gepleegd om de verdediging in deze tegemoet te komen. Zo is de persoon die in de gestelde informatie van de zegsman als bron wordt genoemd bij de rechter-commissaris en onder ede ter zitting gehoord.
Verder is een groot aantal getuigen uit de omgeving van beide gestelde bronnen van deze laatste getuige en van verdachte [betrokkene 1] gehoord omtrent hun wetenschap van de feiten waaraan in het CIE informatiebericht wordt gerefereerd.”
(viii) De Rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 27 september 2012 de verdachte (op tegenspraak) veroordeeld wegens het onder 2 ten laste gelegde. Namens de verdachte is op 5 oktober 2012 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De officier van justitie heeft op 10 oktober 2012 hoger beroep ingesteld.
(ix) De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 8 oktober 2012 verzocht de CIE-informant, diens zegsman en de tussenpersonen tussen [betrokkene 1] c.q. [betrokkene 2] enerzijds en de zegsman anderzijds als getuigen te horen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat de informant in voor de verdachte ontlastende zin heeft verklaard en de informant, diens zegsman en de tussenpersonen nader kunnen verklaren over de bekentenis van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2].
(x) Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2013 heeft de raadsman van de verdachte het verzoek tot het horen van de CIE-informant, diens zegsman en de tussenpersonen tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gehandhaafd. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek aangevoerd dat hij het van belang acht de betrokkenen te horen over “de informatiestroom”. De CIE-informatie is ontlastend voor de verdachte en het is in het belang van de verdediging dat die informatie wordt getoetst. Het is aan het hof om te bezien of de conclusie van de rechter-commissaris dat het horen van de informant levensgevaarlijk is voor de informant, nog steeds houdbaar is.
(xi) Het hof heeft bij tussenarrest van 10 juni 2013 het verzoek tot het als getuigen horen van de CIE-informant, diens zegsman en de tussenpersonen met betrekking tot het telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“De rechtbank heeft in eerste aanleg uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de ClE-informant als getuige te horen. De rechter-commissaris heeft in dat kader de teamleider CIE [teamleider] en de CIE-officier van justitie [officier van justitie] gehoord en de bevindingen van onderzoek gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2012. De rechter-commissaris is op grond van de mededelingen van de CIE-officier van justitie tot de slotsom gekomen, dat bij onthulling van de identiteit van de informant er een grote kans is dat de informant in levensgevaar komt te verkeren. Het horen van de zegsman van de informant zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid leiden tot de onthulling van de identiteit van de informant. Uit de verklaring van de CIE-officier van justitie komt naar voren dat bij het bekend worden van de keten van schakels tussen de zegsman en de informant ook mogelijk de identiteit van de informant bekend wordt.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de mededelingen van de CIE-officier van justitie nog onverkort gelden. Het hof acht de daarin geschetste gevaren voor de ClE-informant aannemelijk.
Het hof zal het verzoek tot horen van de CIE-informant afwijzen, nu het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van deze persoon door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht. Het voorkomen van dit gevaar weegt naar het oordeel van het hof in dit geval zwaarder dan het belang van de verdediging om de CIE-informant te horen.
Het hof acht ook aannemelijk dat het horen van de zegsman en de tussenpersonen leidt tot onthulling van de identiteit van de ClE-informant met voornoemd gevaar voor hem als gevolg. In dat licht heeft naar het oordeel van het hof de weigeringsgrond van artikel 288, eerste lid sub b, van het Wetboek van Strafvordering in dit geval ook te gelden voor het horen van de zegsman en de tussenpersoon. Het hof zal het verzoek tot horen van de zegsman en de tussenpersoon afwijzen, nu het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de CIE-informant door het afleggen van een verklaring door de zegsman en de tussenpersoon in gevaar wordt gebracht. Het voorkomen van dit gevaar weegt naar het oordeel van het hof in dit geval zwaarder dan het belang van de verdediging om de beide personen te horen. Het hof stelt overigens vast dat de verdachte tenminste gedeeltelijk is gecompenseerd doordat in eerste aanleg de deelnemers aan het telefoongesprek, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], alsmede de CIE-officier van justitie en de teamleider CIE zijn gehoord en de verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen.”
(xii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2013 is de medeverdachte [betrokkene 1] als getuige gehoord in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman. De getuige heeft daarbij een beroep gedaan op haar verschoningsrecht en geen verklaring afgelegd. Ook de verdachte heeft op die terechtzitting aangegeven dat hij geen antwoord wenst te geven op vragen die aan hem worden gesteld, aangezien hij zich beroept op zijn zwijgrecht.
(xiii) Op 21 januari 2014 heeft de raadsman van de verdachte een schriftelijke verklaring van de verdachte, die is opgesteld door zijn begeleidster van de “stichting streetcornerwork-oost”, naar de strafgriffie van het hof en naar de advocaat-generaal bij het hof toegezonden. In deze verklaring heeft de verdachte ontkend dat hij verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer]. Hij heeft aangegeven dat zijn relatie met [slachtoffer] een relatie was van een vader met zijn eigen kind en dat hij [slachtoffer] beschouwde als zijn eigen zoon, ook al had [slachtoffer] een andere biologische vader. Op de terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2014 heeft de verdachte verwezen naar zijn schriftelijke verklaring en heeft hij aangegeven dat hij geen antwoord wenst te geven op vragen.
(xiv) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 11 februari 2014 veroordeeld. Het hof heeft in de bestreden uitspraak ten aanzien van de rol van [betrokkene 1] en de haar belastende CIE-informatie het volgende overwogen:
“Verdachte of medeverdachte [betrokkene 1]?
De rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot de waarde van de voor medeverdachte [betrokkene 1] belastende CIE-informatie het volgende overwogen:
"Uit een door de politie opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 april 2011 volgt dat in maart 2011, dus zeer kort na het overlijden van [slachtoffer], als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie is ontvangen waarin - kort gezegd - werd aangegeven dat verdachte [betrokkene 1], kort na het overlijden van [slachtoffer], in een telefoongesprek met [betrokkene 2] gezegd zou hebben dat zij ([betrokkene 1]) [slachtoffer] kort voor zijn overlijden in zijn buik had geschopt.
De rechtbank overweegt dat de juistheid van deze informatie op geen enkele manier is bevestigd. Dit ondanks het horen van een groot aantal getuigen door de politie en de rechter-commissaris, waarbij hun onder andere werd gevraagd of zij wetenschap hadden van een dergelijk gesprek. Verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben ter terechtzitting ontkend dat in een telefoongesprek tussen hen een dergelijke mededeling door [betrokkene 1] zou zijn gedaan. Nu niet is komen vast te staan dat de genoemde informatie op waarheid berust, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank zodanige twijfel omtrent het waarheidsgehalte van voornoemde informatie, dat deze niet in voor [betrokkene 1] belastende zin bruikbaar kan worden geacht."