Conclusie
eerste namens de verdachte voorgestelde middelbehelst de klacht dat het hof aan de hand van een onjuiste maatstaf, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van “de zegsman van de CIE-informant en de tussenpersonen” met betrekking tot het telefoongesprek tussen de medeverdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft afgewezen.
tweede namens de verdachte voorgestelde middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat [slachtoffer] een kind was dat door de verdachte werd verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin.
derde namens de voorgestelde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu het hof de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl die verklaringen wat betreft de feitelijke toedracht niet met elkaar te verenigen zijn, zodat de bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig is.
eerste namens de benadeelde partij voorgestelde middelbevat de klacht dat het hof de omvang van de materiële schade ten onrechte heeft gekwalificeerd als schade die niet eenvoudig is vast te stellen en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
tweede namens de benadeelde partij voorgestelde middelbehelst de klacht dat het hof de beoordeling van de immateriële schade ten onrechte heeft aangemerkt als een onevenredige belasting van het strafproces.
derde namens de benadeelde partij voorgestelde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wet voor het vergoeden van schade van nabestaanden buiten het in art. 6:108 Burgerlijk Pro Wetboek bepaalde onvoldoende grondslag biedt.