Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
'gelet op het belang van de kinderen afgezet tegen de magere onderbouwing’.
iedere dag en ook 's nachts’ in een kist zat, hetgeen cliënte uitdrukkelijk betwist. De verdediging wil [slachtoffer 1] dan ook aanvullende vragen stellen, onder andere over hoe vaak en in welke periode hij in de kist moest verblijven, wie hem in de kist deed, hoe lang hij achtereen in de kist moest blijven, of hij dan (altijd) werd vastgebonden en waar de andere kinderen dan waren. Van [slachtoffer 2] wil de verdediging eveneens weten hoe vaak zij heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] in de kist zat opgesloten, hoe lang hij daar dan moest blijven, alsmede door wie [slachtoffer 1] in de kist werd opgesloten.
meestal’ dan wel ‘
af en toe’ in bed mocht slapen. In de studioverhoren is nagelaten om hierop door te vragen. De verdediging wil hier specifieker op doorvragen om meer duidelijkheid te verkrijgen over deze frequentie en – waar mogelijk – deze frequentie te kwantificeren. Ook zal daarbij worden ingegaan op de rol van respectievelijk de vader en de moeder in de nacht.
alleen maar droog brood’ te eten kreeg, terwijl [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] mee mocht eten, tenzij hij gepikt had. De verdediging wil ook hierover nadere vragen stellen, bijvoorbeeld of – en zo ja, hoe vaak – het is voorgekomen dat [slachtoffer 1] niet aan tafel zat tijdens het eten, of en in hoeverre [slachtoffer 1] zelf toegang had tot voedsel, wat [slachtoffer 1] zoal aan voedsel innam op een dag en in hoeverre de verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij alleen maar droog brood te eten kreeg, klopt.
De verdediging wenst de kinderen [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 2008) en [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 2010) te horen. De rechtbank beschrijft [slachtoffer 1] als een getraumatiseerde minderjarige. Uit de context van deze opmerking valt te halen dat [slachtoffer 1] getraumatiseerd is door het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Het ondervragingsrecht van de verdediging is niet absoluut. Gezien de verweten gedragingen én de jeugdige leeftijd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bestaat een gegrond vermoeden dat de gezondheid en/of het welzijn van deze twee kinderen in gevaar zijn bij het opnieuw ondervragen van deze kwetsbare kinderen. Om die reden dient het belang van het slachtoffer te prevaleren boven het recht van de verdachte om het slachtoffer te (doen) ondervragen.
19 februari 2019 te 14:00 uur;”
Het oordeel van het hof
8. FORENSISCH PSYCHOLOGISCHE BESCHOUWING
9.BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING
In hoeverre wordt de gezondheid en/of het welzijn van [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 2008 te [plaats] , Duitsland door het als getuige afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak, in gevaar gebracht.
2.Indien verhoor niet mogelijk is, dient te worden aangegeven waarom.
8. FORENSISCH PSYCHOLOGISCHE BESCHOUWING
9.BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING
In hoeverre wordt de gezondheid en/of het welzijn van [slachtoffer 1][A-G: ik begrijp: [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 2008[A-G: ik begrijp: [geboortedatum] 2010]te [plaats] , Duitsland door het als getuige afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak, in gevaar gebracht.
2.Indien verhoor niet mogelijk is, dient te worden aangegeven waarom.
1. Feit 1
2.Feit 2
3.Feit 3
[slachtoffer 1]geslacht: man
[...]
[geboortedatum] 2008
relevante foto’s gegevensdragers"
Overweging met betrekking tot het bewijs
NJ2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes ingegaan op de beoordeling door de feitenrechter van verzoeken tot het oproepen en horen van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat hoewel de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin [13] tot gevolg heeft dat het belang van de verdediging bij het horen van een getuige die belastend heeft verklaard, terwijl de verdediging ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen in beginsel moet worden voorondersteld, dit niet betekent dat elk verzoek tot het oproepen en horen van zo’n getuige zonder meer moet worden toegewezen. Dat speelt met name als er een goede grond bestaat voor de omstandigheid dat de verdediging het ondervragingsrecht niet kan uitoefenen. [14] Wel moet de rechter in zo’n geval de ‘
overall fairness’ van de procedure in het oog houden, niet alleen bij de beoordeling van de getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. De rechter moet daarbij onder ogen zien of, en zo ja welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van haar ondervragingsrecht. [15] De Hoge Raad sluit hiermee aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM zijn geformuleerd, namelijk (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband staan en als het ware als communicerende vaten functioneren. [16]
second traumatisation’ en verdere beschadiging bestaat. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de dochter van de verdachte ten grondslag gelegd dat de deskundige ten aanzien van de dochter heeft gerapporteerd dat een nieuwe stresssituatie zoals een verhoor in welke vorm dan ook haar opnieuw ernstig onder druk zal zetten en ervoor zal zorgen dat de kans op terugval groot is, waardoor zij verder beschadigd kan raken. Het hof heeft voorts geoordeeld dat het geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat de (psychische) gezondheidsrisico’s voor de kinderen bij een nieuw verhoor in welke vorm dan ook, zoals beschreven in de rapporten van de deskundige, niet meer aanwezig of sterk verminderd zijn. Verder staat vast dat de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad het ondervragingsrecht uit te oefenen.
4.Het derde middel
NJ2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis over overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen onder meer het volgende overwogen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak in hoger beroep dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, dient de zaak te zijn afgerond binnen 16 maanden, behoudens bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. De redelijkheid van de duur van een zaak is onder meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het staat de rechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet snel sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel in de regel sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
enkelis veroorzaakt door de wensen van de verdachte, maar dat die wensen het tijdsverloop voor een
belangrijk deelhebben veroorzaakt.
Lavents tegen Letland) – dat de door de ziekte van de verdachte en het daarop gebaseerde en door het hof toegewezen aanhoudingsverzoek veroorzaakte vertraging niet kan worden betrokken bij de beoordeling van de redelijkheid van de duur van de procedure in hoger beroep, deel ik niet. Het EHRM heeft in het door de steller van het middel aangehaalde arrest overwogen dat, voor zover de vertragingen te wijten zijn aan de medische behandeling van de verdachte en zijn ziekenhuisopname, zij overmacht opleveren die hem niet kan worden toegerekend. Het EHRM heeft echter ook overwogen dat die vertragingen
evenminaan de Staat kunnen worden toegerekend bij de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. [24] Dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn rekening kan worden gehouden met schorsing van het onderzoek wegens ziekte van de verdachte blijkt ook uit EHRM 2 september 2010, nr. 12111/04, § 89 (
Sergey Timofeyev tegen Rusland), waarin het EHRM overweegt:
NJ2022/247, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.4, worden gewezen op hetgeen door het EHRM is overwogen in zijn uitspraak van 15 december 2005, nr. 73797/01 (
Kyprianou tegen Cyprus), te weten: