Conclusie
Nummer20/04272
Vlak voordat ik vanaf het politiebureau naar het adres van het slachtoffer zou gaan, hoorde ik van een collega dat hij zojuist de moeder aan de telefoon had gehad en dat hij op de achtergrond had gehoord dat er een meisje huilde.
Tevens las ik dat [verdachte] zedenantecedenten had.
Verhoor [slachtoffer] (het hof begrijpt telkens [slachtoffer] )
: Ik was kinderpostzegels aan het verkopen. Toen belde ik bij die
meneer aan. Toen vroeg ik of die kinderpostzegels wou. Toen zei die:
wil je anders even binnenkomen. Ik zag een hond staan en toen zei
ik: nee, ik ben allergisch voor honden. En toen trok die me alsnog naar
binnen. En toen moest ik mijn mond open doen, want die meneer
deed zijn broek uit.
ik nog, omdat we in de politieauto gingen kijken. De deur ging open. Ik
zag een meneer en ik zag een klein hondje. Het was een hondje met
witte krulletjes.
de huiskamer gestuurd. Toen trok hij me naar binnen en deed hij de
deur dicht.
naar de huiskamer, en die deed hij dus dicht.
anders?
gehouden.
ik wegrennen. Ik deed de deur open en rende weg.
Verhoorder: Wat moest jij doen om hem open te doen?
8.
De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 juni 2018 verklaard - zakelijk weergeven -:
De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2020 verklaard - zakelijk weergegeven -:
[slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] . Het horen van de getuige [slachtoffer] is in het belang van de verdediging, nu een van de bewezenverklaringen zijn volledige grondslag vindt in de verklaringen van [slachtoffer] . De verklaring(en) van de getuige [slachtoffer] zijn
sole and decisive. Haar verklaring vormt het enige en beslissende bewijsmateriaal. Het is dan ook essentieel dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid krijgt om de getuige te ondervragen. Die gelegenheid is de verdediging nog niet geboden. De verdediging heeft zelfs niet mogen participeren bij het studioverhoor van [slachtoffer] .
De verdediging persisteert bij het verzoek tot het (doen) horen van [slachtoffer] als getuige. Het op 12 maart 2019 verzonden e-mailbericht met het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van de verzoeken van de verdediging heb ik gelezen. Uit dit bericht leid ik af
Voorts wenst de verdediging [slachtoffer] te bevragen over het naroepen. Stond [slachtoffer] toen nog in de woning van cliënt of stond zij al buiten? In dit verband merk ik op dat ik weet dat de toenmalige woning van cliënt aan een drukke weg ligt.
Dat het in het belang van de verdediging is dat [slachtoffer] wordt gehoord, blijkt uit het feit dat haar verklaringen lijnrecht tegenover die van cliënt staan. Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie voornemens is te vorderen dat aan cliënt de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd. Voor cliënt staat er dus nogal wat op het spel.
Ik sluit mijn ogen niet voor het feit dat [slachtoffer] nog jong is en dat mede daarom een verhoor belastend voor haar zal zijn. Ik heb echter geen aanwijzingen dat de gezondheid of het welzijn van [slachtoffer] door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht. Bovendien acht ik mijzelf en de advocaat-generaal professioneel genoeg om het verhoor in goede banen te leiden.
Hierop onderbreekt het hof het onderzoek voor beraadslaging.
- het hof wijst af het verzoek tot het (doen) horen van [slachtoffer] als getuige. Naar het oordeel van het hof leiden de inhoud van het e-mailbericht d.d. 11 maart 2019 van de moeder van [slachtoffer] , de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] en de overige haar betreffende informatie in het dossier tot een gegrond vermoeden dat de gezondheid en het welzijn van [slachtoffer] door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht. Het voorkomen van dit gevaar weegt zwaarder dan het belang om [slachtoffer] te ondervragen. Het hof ziet geen mogelijkheid tot het treffen van maatregelen ter bescherming van het belang van de gezondheid en het welzijn van [slachtoffer] indien zij als getuige zou worden gehoord.
voor onbepaalde tijd;
5. Een citaat uit het bewuste p-v: "
Ik vroeg aan het meisje of zij mij wilde laten zien waar haar kamer was en of zij mij daar wilde vertellen waarom ze zo verdrietig was. Ik zag dat [slachtoffer] gelijk verlegen werd en wegkeek van mij. Ik hoorde dat zij vertelde dat ze niet met mij mee wilde en niet wilde vertellen wat er was gebeurd. [slachtoffer] zei tegen haar moeder dat zij het aan mij moest vertellen. (...) Ik vroeg [slachtoffer] of zij mij wilde vertellen waarom ze zo verdrietig was geweest vandaag. Ik hoorde [slachtoffer] vertellen dat zij samen met een vriendinnetje langs de deuren was gegaan in de wijk om kinderpostzegels te verkopen. En dat ze toen bij 'dat huis' aanbelde en dat mama de rest maar moest vertellen. En ik vroeg aan [slachtoffer] of ze het zelf aan mij wilde vertellen. Ik zag dat [slachtoffer] gelijk het dekentje voor haar gezicht hield en tegen haar moeder aan ging hangen om zich bij haar moeder te verstoppen. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen tegen haar moeder: 'jij moet het maar vertellen". (...) Ik vroeg [slachtoffer] of ze mij wilde vertellen wat er was gebeurd waardoor ze zo verdrietig was geworden. Ik zag dat [slachtoffer] elke keer zichzelf verstopte achter haar dekentje en tegen haar moeder aan ging hangen als er vragen werden gesteld die over het incident gingen. Ik hoorde dat de moeder van [slachtoffer] haar dochter aanmoedigde om te vertellen wat er was gebeurd, dat het juist goed was als ze het zou vertellen. (...) Uiteindelijk na meerdere malen vragen en aanmoedigen vanuit mij en haar moeder, belonen als zij iets had verteld en tussendoor over luchtige dingen praten, is het verhaal eruit gekomen.”
U vraagt mij of de politieagente ook een blocnote bij zich had of iets anders. Ja, ze schreef wel dingen op, ik weet niet meer waarop. Ze heeft in de tijd dat ze vragen gesteld heeft ook wel eens gebeld met iemand van zeden geloof ik, om advies in te winnen geloof ik." Erg gedegen en adequaat komt het niet over, nog los van het feit dat in het dossier op geen enkele plek melding is gemaakt van de naam van de zedenrechercheur met wie de hoofdagente contact zou hebben gehad tijdens het gesprek. Het proces-verbaal vermeldt in dit opzicht slechts dat gesproken is met een collega van Team Zeden, zonder dat duidelijk wordt wie dat geweest is en of over de manier van vragen stellen bijvoorbeeld informatie is uitgewisseld onderling. Er is evenmin duidelijk geworden hoe dit proces-verbaal van bevindingen tot stand is gekomen. Heeft de hoofdagente daarvoor haar aantekeningen gebruikt? Het geluid van het verhoor is niet opgenomen, zodat niet te controleren valt hoe een en ander exact is verlopen. En dat maakt het nog eens extra onzorgvuldig, omdat het opnemen van dit verhoor simpelweg verplicht is op grond van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Het is zelfs nog erger: conform die Aanwijzing had het verhoor zelfs audiovisueel vastgelegd moeten zijn. Dat dit allemaal niet is gebeurd brengt met zich mee dat dusdanig veel gebreken kleven aan de totstandkoming van de verklaringen van [slachtoffer] dat deze verklaringen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
3.2.1. (...) Op grond van die verdragsbepaling (artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM, SvdE) heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
sole or decisiveis in het licht van de rechtspraak van het EHRM. Dat is zonder meer het geval. Het benodigde steunbewijs is helemaal niet voorhanden. Dit steunbewijs moet immers betrekking hebben, zo volgt ook uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad, op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist, Dat steunbewijs is er niet. Het steunbewijs waarnaar de advocaat-generaal heeft verwezen in haar requisitoir komt erop neer dat er een bevestiging is van de stelling dat [slachtoffer] bij cliënt aan de deur is geweest. Maar dat betwist cliënt nu juist niet. Dat sprake is geweest van een incident aan of bij de voordeur van cliënt is niet in geschil. Dat staat vast. De lezingen van cliënt en de minderjarige lopen uiteen waar het gaat om de vraag wat er nu precies is gebeurd. Op dat vlak ontbreekt het aan elk steunbewijs.
sole or decisivecriterium op deze zaak van toepassing is, waarmee de schending van het ondervragingsrecht een gegeven is. Dan komen we op de vraag of er in casu genoeg compenserende maatregelen zijn getroffen. Het horen van de moeder van [slachtoffer] , vormt dat een maatregel die als voldoende compenserend is aan te merken? Dat is niet zonder meer het geval. De verdediging moet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben gehad om de enige belastende getuige, [slachtoffer] , in enig stadium van het geding te ondervragen. Dat de verdediging vragen heeft kunnen stellen aan de moeder van de getuige betekent natuurlijk niet dat deze effectieve mogelijkheid er dan alsnog geweest is. Daarbij komt ook betekenis toe aan het feit dat [slachtoffer] direct na het incident niet uitvoerig en uit eigen beweging haar verhaal heeft gedaan tegenover haar moeder. Ook om die reden vormt het horen van de moeder van [slachtoffer] geen adequate compenserende maatregel. Voor het betrouwbaarheidsonderzoek, uitgevoerd door de deskundige dr. Wolters, geldt wat de verdediging betreft hetzelfde. Zou aan de verdediging de mogelijkheid zijn geboden om vragen te stellen aan de deskundige en om bepaalde stellingen aan zijn oordeel te onderwerpen, dan had ik daar anders over gedacht. Die mogelijkheid is de verdediging niet geboden. In hoeverre kunnen we dan nog spreken over een effectieve en behoorlijke mogelijkheid om het enige bewijsmateriaal in deze zaak aan een kritische toets te onderwerpen?
Het ontbreekt aan steunbewijs; één getuige is geen getuige
Meest subsidiaire bewijsverweer: het bewijs is niet overtuigend (genoeg)
Wat ik begrepen heb heeft [betrokkene 1] niets meegekregen van wat binnen de woning is voorgevallen." Verder beroept de verdediging zich op de verklaringen van de muziektherapeute [betrokkene 4] en van [betrokkene 5] , de moeder van cliënt, alsook op het door [betrokkene 6] - de ex-partner van cliënt - beschreven preutse karakter van hem. Maar ook de verklaring die cliënt heeft afgelegd vindt steun in het dossier. De opmerkingen die cliënt tegenover [slachtoffer] heeft gemaakt, namelijk dat zij er mooi uitzag en knap was, passen bij vergelijkbare uitlatingen die cliënt in een eerder stadium zou hebben gedaan. In dat opzicht wordt verwezen naar pagina 043 van het dossier, waar te lezen valt dat cliënt tegen een jongedame zou hebben gezegd
wat ben je mooien
ik vind je lekker. Ook de verklaring van de muziektherapeute, [betrokkene 4] , is natuurlijk van gewicht. Zij kent cliënt door en door en geeft heel duidelijk te kennen dat zij helemaal niets aan hem heeft gemerkt, waarbij het voor de hand zou hebben gelegen dat dit wel het geval zou zijn geweest als zich een ernstig incident zou hebben voorgedaan.
25. In hoger beroep is wat de verdediging betreft komen vast te staan dat geen sprake is geweest van het aanraken van [slachtoffer] door cliënt. Ik verwijs naar de punten 3 en 8 van de verklaring van [aangever] bij de raadsheer-commissaris: "
Ik weet nog dat de agente vroeg: "Is er ook een aanraking geweest?" daarop zei [slachtoffer] : "Nee". ... "U zegt mij dat ik heb verklaard dat [slachtoffer] tegen mij heeft gezegd dat ze niet door hem is aangeraakt. Ja, dat klopt. Dat had ze in de badkamer nog niet gezegd, maar de agente vroeg dat aan haar. Ik had daar zelf nog niet bij stil gestaan dat dat ook zou kunnen zijn gebeurd, maar godzijdank niet." Bij een poging tot het seksueel binnendringen van het lichaam zal minst genomen sprake moeten zijn van daadwerkelijk fysiek contact en dat is hier niet aan de orde. Dan blijft over het laten zakken van de broek van cliënt en het maken van de opmerking "doe je mond open". Echter, gelet op de verklaring van de muziektherapeute, de ontkennende verklaring van cliënt en de - naar in hoger beroep is gebleken - wisselende verklaringen van [slachtoffer] is het niet verantwoord om ervan uit te gaan dat dat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. De ex-vriendin van cliënt heeft bovendien verklaard dat hij bijzonder preuts is waardoor hij zich bepaald niet snel uitkleedt. [slachtoffer] heeft in de studio verklaard dat de man in kwestie haar heeft aangeraakt, maar tegen haar moeder heeft zij kennelijk gezegd dat zij juist niet is aangeraakt.
Punt 9:
Punt 16:
Ik stel mij aldus op het standpunt dat er onvoldoende compenserende maatregelen zijn getroffen voor het niet kunnen horen van [slachtoffer] . Er is op geen enkele wijze participatie van de verdediging geweest. Het studioverhoor is wel op CD-ROM aan de verdediging verstrekt, maar de verdediging heeft geen vragen kunnen stellen tijdens dat verhoor. Verder is er wel een onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] , maar de verdediging heeft geen vragen mogen stellen aan de deskundige. Die gelegenheid had de verdediging wel geboden moeten worden. Daarbij had de deskundige volgens mij niet de beschikking over de beelden van het studioverhoor. Bovendien vind ik het opmerkelijk dat de deskundige in zijn rapportage niets heeft opgenomen over het eerste verhoor in de slaapkamer. Ik vind het te makkelijk om te concluderen dat de deskundige, nu hij daarover niets heeft opgenomen in zijn rapportage, in dat verhoor geen onvolkomenheden heeft gezien.
(…)
Punt 29:
Mocht uw hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit komen, dan doe ik een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de deskundige dr. Wolters en verbalisant [verbalisant 7] , die in de slaapkamer het eerste gesprek met [slachtoffer] heeft gevoerd. De verbalisant kan aangeven hoe dat gesprek is verlopen. Heeft er aanmoediging plaatsgevonden en heeft een en ander invloed gehad op de verklaring van [slachtoffer] ? Ook kan zij aangeven of zij destijds heeft gesproken met een collega van Team Zeden en of er niet iemand van dat team beschikbaar was voor het afnemen van de verklaring. De noodzaak tot het horen van de verbalisant bestaat omdat anders nooit kan worden opgehelderd hoe een en ander is gegaan. Juist omdat het de eerste verklaring van [slachtoffer] is, moeten we weten hoe het gesprek precies is gegaan.
Ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van Wolters merk ik het volgende op. Wolters heeft in zijn rapport niets opgenomen over dit eerste gesprek. De verdediging heeft het recht om dit punt alsnog onder de aandacht van Wolters te brengen en zijn visie daarop te vernemen. Bovendien heeft de verdediging ook niet de mogelijkheid gehad om Wolters te bevragen omtrent zijn conclusie, inhoudende dat de verklaringen van [slachtoffer] in aanzienlijke mate betrouwbaar geacht kunnen worden. Mocht uw hof met mij van oordeel zijn dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces, dan kan ik mij overigens voorstellen dat uw hof ambtshalve beslist dat de zaak dient te worden aangehouden, teneinde Wolters en/of [verbalisant 7] te horen.
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot repliek en voert daartoe het woord als volgt:
Allereerst merk ik op dat de advocaat-generaal gelijk heeft wat betreft de naam van de verbalisant.
Ik vind het door Wolters verrichte onderzoek onvolledig. Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, ben ik niet van mening dat de verdediging in dit verband meer had moeten ondernemen. Ik heb de rapportage van Wolters op 25 juli 2019 per e-mail ontvangen, waarna ik op 26 juli 2019 heb geantwoord dat ik graag in de gelegenheid zou worden gesteld om vragen te stellen aan de deskundige Wolters. De reactie die ik vervolgens heb ontvangen hield in dat ik niet in de gelegenheid werd gesteld om vragen te stellen omdat de deskundige niet beïnvloed mocht worden. Eerlijk gezegd begrijp ik die beslissing niet. Ik wil niet op de stoel van Wolters gaan zitten, want ik ben geen deskundige. Mijn bezwaren tegen het door hem verrichte onderzoek zijn meer van procedurele aard. Zijn onderzoek is onvolledig geweest: hij heeft geen aandacht besteed aan de totstandkoming van de eerste cruciale verklaring van [slachtoffer] en de verdediging heeft hem daarover ook geen vragen kunnen stellen. Mijns inziens stelt de advocaat-generaal zich te gemakkelijk op het standpunt dat met die eerste verklaring van [slachtoffer] niets aan de hand is. De advocaat-generaal vindt het ook begrijpelijk dat de verbalisant aan [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] verdrietig was, omdat zij zou hebben waargenomen dat [slachtoffer] had gehuild. De allereerste opmerking over verdriet of verdrietig zijn, wordt echter gemaakt door de verbalisant en is niet een reactie op het aantreffen van een huilend meisje. Ik wijs u in dit verband op de vijfde alinea van het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 van het dossier, waaruit blijkt dat de verbalisant al voorafgaand aan haar constatering dat [slachtoffer] had gehuild, aan [slachtoffer] vroeg of het klopte dat zij verdrietig was geweest.
Heropening van het onderzoekNa de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.
(…)
BESLISSINGHet hof:
beveeltde oproeping van de deskundige dr. G. Wolters voor de nadere terechtzitting;’
In elk geval geldt dit voor het primair ten laste gelegde, nu het ten laste gelegde handelen niet als een begin van uitvoering van het delict
verkrachtingkan worden aangemerkt.’
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daartoe het navolgende mede:
(…)
Ik breng tot slot nog een ander belangrijk punt naar voren. Ik heb uw hof vandaag verzocht om mijn pleitnota die ik ter terechtzitting van 29 april 2020 heb voorgedragen als herhaald en ingelast te beschouwen. In die pleitnota heb ik het standpunt ingenomen dat er onvoldoende compenserende maatregelen zijn getroffen voor het niet kunnen horen van [slachtoffer] . Ik handhaaf dat standpunt. De deskundige Wolters, die ter terechtzitting van heden is gehoord, heeft
1. Uitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer] voor het bewijs(…)
Op 27 september 2017 werd door [aangever] bij de politie melding gemaakt van een mogelijk zedenmisdrijf, gepleegd tegen haar dochter [slachtoffer] . Een half uur na die melding sprak een hoofdagent persoonlijk met [slachtoffer] over hetgeen haar zojuist was overkomen. Enkele dagen later, op 3 oktober 2017, is [slachtoffer] in een kindvriendelijke studio als getuige gehoord.
Het hof is van oordeel dat het eerste contactmoment met [slachtoffer] in haar slaapkamer op 27 september 2017 niet heeft te gelden als een (vooraf gepland) verhoor, maar dat sprake is geweest van een informatief gesprek tussen de hoofdagent en [slachtoffer] , teneinde - op basis van de inhoud van dat gesprek - te beoordelen of opsporingshandelingen moesten worden verricht en zo ja, op welke wijze. De toen door [slachtoffer] afgelegde verklaring behoefde dan ook niet, anders dan door de raadsman is gesteld, audiovisueel te worden geregistreerd. Pas als sprake is van een gepland verhoor dient daar, op grond van het bepaalde in de 'Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten', toe worden overgegaan. Evenmin diende dit gesprek, op grond van het bepaalde in de 'Aanwijzing Zeden', door een gecertificeerd zedenrechercheur te worden gevoerd. Van enig vormverzuim is dan ook geen sprake.
Gelet op al deze, naar het oordeel van het hof als voldoende compenserend aan te merken, maatregelen is het hof van oordeel dat geen aanleiding bestaat de verklaringen van [slachtoffer] uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof de veroordeling ten aanzien van feit 1 uitsluitend heeft gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer] , althans dat het hof niet, ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd welk steunbewijs redengevend is geweest voor de bewezenverklaring.
NJ2014/328 m.nt. Rozemond. De ten laste van de verdachte bewezenverklaarde mishandeling bestond er onder meer in dat hij het slachtoffer opzettelijk tegen haar buik had gestompt terwijl zij zwanger was. De bewezenverklaring berustte mede op de verklaring van een buurman, inhoudend dat de aangeefster tijdens haar zwangerschap niet alleen huilend, maar ook verkrampt met haar handen op haar buik aan de voordeur stond. Van een ten tijde van het plegen van het feit waargenomen emotionele reactie was sprake in HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549,
NJ2015/485 m.nt. Borgers. Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij het slachtoffer telefonisch had bedreigd. De bewezenverklaring berustte mede op de verklaring van de moeder van het slachtoffer, die zag dat zij tijdens het telefoongesprek ‘hysterisch werd’ en ‘alleen nog maar (kon) huilen’. Van schending van art. 342, tweede lid, Sv was naar het oordeel van Uw Raad in beide gevallen geen sprake. [5]
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het voorwaardelijk verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant 4] als getuige.
derdemiddel klaagt dat het hof de afwijzing van het verzoek om [slachtoffer] te horen onbegrijpelijk althans ontoereikend heeft gemotiveerd. De stellers van het middel voeren aan dat het hof in het midden heeft gelaten welk criterium is aangelegd bij de beoordeling van het verzoek en het verzoek daarnaast ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
NJ2006/239 m.nt. Schalken, waarvan de genoemde rechtsoverwegingen luiden:
69. In appropriate cases, principles of fair trial require that the interests of the defence are balanced against those of witnesses or victims called upon to testify. In this respect, the Court has had regard to the special features of criminal proceedings concerning sexual offences. Such proceedings are often conceived of as an ordeal by the victim, in particular when the latter is unwillingly confronted with the defendant. These features are even more prominent in a case involving a minor. In the assessment of the question whether or not in such proceedings an accused received a fair trial, the victim's interest must be taken into account. The Court, therefore, accepts that in criminal proceedings concerning sexual abuse certain measures may be taken for the purpose of protecting the victim, provided that such measures can be reconciled with an adequate and effective exercise of the rights of the defence. In securing the rights of the defence, the judicial authorities may be required to take measures which counterbalance the handicaps under which the defence labours (see S.N. v. Sweden, cited above, § 47 with further references).’