Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 18 april 2013, nr. 12/00496, betreffende een aanslag in het recht van successie.
Hoge Raad
Belanghebbende was erfgenaam van een nalatenschap waarbij een deel van het verkregen vermogen direct werd ingezet in zijn onderneming en tot zijn ondernemingsvermogen ging behoren. De vraag was of hij aanspraak kon maken op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet, die alleen geldt voor ondernemingsvermogen van de erflater.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en wijzigde de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep ongegrond en verwierp ook het beroep op het discriminatieverbod. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de beperking van de faciliteit tot ondernemingsvermogen van de erflater binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt.
De Hoge Raad oordeelt dat de faciliteit niet in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, ook niet als het verkregen vermogen bij de erfgenaam tot ondernemingsvermogen gaat behoren. De klachten worden ongegrond verklaard en het beroep in cassatie wordt verworpen. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.