Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
'(...) dat de cone (...) een logisch onderdeel is van de verkregen verkoopeenheid (de garenklos) en het product (de garens) aantrekkelijker maakt voor de verkoop’.Een klos is volgens het Van Dale woordenboek (voor zover hier relevant) (i) blok(je) van hout, bv. langwerpig houtrolletje voor garen, (ii) spoel. Daarmee geeft het Hof aan dat de cone onderdeel is van een blokje en/of spoel. Het Hof miskent hiermee dat de cone als zodanig het ‘blokje/spoel’ vormt en daarom daarvan geen onderdeel uit kan maken. Dit kan de conclusie niet dragen dat een cone als logisch onderdeel moet worden beschouwd van de garens.
“de gezamenlijke materiële hulpmiddelen voor de productie.”Een hulpmiddel is volgens ‘Van Dale’
een middel om een doel sneller te bereiken”. Het Hof heeft in zijn overweging niet weergegeven waarom en op welke wijze de cones niet aan bovengenoemde definitie voldoet.
“met uitzondering van bij ministeriele regeling aan te wijzen logistieke hulpmiddelen en producten die wel voldoen aan de definitie van verpakking maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben, en mitsdien niet als verpakking worden beschouwd. De aanwijzing kan zoals individuele producten als groepen van producten betreffen. Ter zake kunnen eisen worden gesteld aan afmetingen dan wel inhoud”.
“dat continue zal worden gemonitord of er producten zijn die niet op de lijst staan, maar toch als een logistiek hulpmiddel zijn te karakteriseren. Hierdoor zal er sprake zijn van een dynamische lijst. Op dit moment wordt gedacht aan de volgende lijst van logistieke hulpmiddelen: (...)”(Kamerstukken II, 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 56-57).
Relevante wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van de middelen
conditio sine qua nonis. Daarom acht ik belanghebbendes voornoemde stelling onjuist.
verpakteook los
kanworden geleverd, maar slechts of een
verpakkingin een specifiek geval zo is ontworpen dat deze voor de eindgebruiker of consument op het verkooppunt een verkoopeenheid vormt.
op zichzelf aanvaardbaar[onderstreping A-G]. Wanneer echter de uitwerking van dit forfait in het UBIB 2001 leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad, moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat dan de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden.