Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De procedure tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.De grondslag voor herziening
5.Beoordeling van de aanvragen
6.Slotsom
7.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
De betrokkene werd in 1984 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor doodslag op een slachtoffer in 1981, op basis van zijn eigen bekentenissen en verklaringen van getuigen die zijn uitlatingen bevestigden. Er was geen forensisch bewijs of directe getuigenverklaringen over het misdrijf zelf. De betrokkene heeft later zijn bekentenis ingetrokken en gesteld dat deze vals was.
De aanvraag tot herziening werd ingediend door de Advocaat-Generaal en de raadslieden van de betrokkene, waarbij de Hoge Raad in 2014 een tussenarrest uitvaardigde voor nader onderzoek naar de geloofwaardigheid van de bekentenissen. Een gedragskundig onderzoek concludeerde dat betrokkene ten tijde van het misdrijf en het opsporingsonderzoek leed aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale trekken en een recidiverende depressieve stoornis, wat zijn neiging tot suggestibiliteit en het afleggen van mogelijk valse bekentenissen verklaart.
De Hoge Raad oordeelt dat dit nieuwe deskundigenrapport een novum vormt dat ernstige twijfel doet rijzen over de betrouwbaarheid van de oorspronkelijke bekentenissen. Indien dit bekend was geweest, zou het hof mogelijk tot vrijspraak zijn gekomen. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling volgens art. 472, tweede lid, Sv.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.