Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin hij werd veroordeeld voor de moord op twee personen op 6 april 2011 in Curaçao.
Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad handelde door meerdere keren gericht te schieten op de slachtoffers en een van hen vervolgens de keel door te snijden. Dit is onderbouwd met uitgebreid bewijs, waaronder verklaringen van politieambtenaren, getuigenverklaringen, en forensische sporen zoals hulzen en bloedsporen.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor voorbedachte raad en oordeelt dat het hof voldoende en toereikend heeft gemotiveerd dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde. Het motief van wraak op de dood van zijn broer wordt erkend maar vormt geen contra-indicatie.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het vonnis van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte met voorbedachte raad twee personen heeft vermoord en verwerpt het cassatieberoep.