Conclusie
[eiser]respectievelijk de
Staat.
1.Inleiding en samenvatting
pied-à-terregebruikt. Hij beriep zich erop dat de aanslag in strijd is met het Unierecht. Bij de kantonrechter kreeg hij ongelijk, welk oordeel na sprongcassatie door de Hoge Raad (belastingkamer) werd bekrachtigd met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. [eiser] is vervolgens deze civielrechtelijke procedure begonnen. Hij betoogt dat door de beslissing van de belastingkamer, die hij voor onjuist houdt, de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en de schade moet vergoeden die hij als gevolg daarvan heeft geleden.
Köbler-arrest (HvJEU 30 september 2003, C-224/01) kan een lidstaat alleen aansprakelijk zijn voor een beslissing van een hoogste rechter als die beslissing op een
kennelijkeschending van het Unierecht berust. Aan die maatstaf is in deze zaak naar mijn mening niet voldaan wat betreft de uitleg van de materiële bepaling die in geschil is (art. 63 VWEU Pro, vrij verkeer van kapitaal). Een aparte vraag is of het nalaten van de hoogste rechter het HvJEU om een prejudiciële beslissing te vragen op zichzelf staatsaansprakelijkheid kan meebrengen. In het licht van het arrest van de Hoge Raad in de zaak
KLM-piloten/Staat(ECLI:NL:HR:2018:2396) meen ik dat dit niet het geval is.
Consorzio(HvJEU 6 oktober 2021, C-561/19). Dat arrest bevestigt de drie ‘
Cilfit-uitzonderingen’, maar is in zoverre nieuw dat de hoogste rechter wordt verplicht een beslissing om niet te verwijzen te motiveren. Ik ga in op de reikwijdte van die motiveringsplicht en onderzoek verkennend de mogelijke gevolgen daarvan voor de praktijk van het verkort afdoen van zaken op grond van art. 80a lid 1 juncto lid 4 RO en art. 81 lid 1 RO Pro. Die discussie overstijgt het belang van deze zaak. Het schenden van genoemde motiveringsplicht kan niet een zelfstandige grond vormen voor staatsaansprakelijkheid op grond van het
Köbler-arrest.
2.Feiten en procesverloop
gemeente). Het gaat om een recreatiewoning op een vakantiepark die hij gebruikt als
pied-à-terrein Nederland. Hij verhuurt deze woning niet.
HvJEU).
9. (…). Artikel 63 VWEU Pro bepaalt dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Eiser wordt als inwoner van Italië immers niet beperkt of anders behandeld dan inwoners van Nederland; de forensenbelasting wórdt geheven van iedere natuurlijke persoon die, zonder hoofdverblijf te hebben in de gemeente, op meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning voor zichzelf of zijn gezin ter beschikking houdt.
”
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid bestaat omtrent de uitleg van de begrippen ‘vrijheid kapitaalverkeer’, ‘vrijheid dienstenverkeer’ en ‘staatssteun’ zoals door eiser aangehaald, die reden geeft tot het stellen van prejudiciële vragen.”
Köbler-arrest van het HvJEU. [5] Bovendien heeft de Hoge Raad ten onrechte geen prejudiciële vragen gesteld, terwijl hij als hoogste rechterlijke instantie daartoe gehouden was. Tot slot heeft de Hoge Raad door de zaak verkort af te doen met art. 81 lid 1 RO Pro ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij geen prejudiciële vragen heeft gesteld.
2.18. Anders dan [eiser] betoogt, is in het Unierecht en de rechtspraak van het HvJ EU geen verplichting opgenomen voor een in laatste aanleg rechtsprekende rechter om nader toe te lichten welke uitzondering op de verplichtingen onder artikel 19 VEU Pro en/of artikel 267 VWEU Pro in het concrete geval van toepassing is. Voor de stelling dat een afdoening op basis van artikel 81 RO Pro tot strijdigheid met het Unierecht leidt, bestaat dan ook geen grond.
hof). In hoger beroep heeft de door hem gevorderde verklaring voor recht
alleen nog betrekking op de uitspraak van de Hoge Raadvan 4 mei 2018 en niet langer op de daarop voorafgegane uitspraak van de rechtbank. Daarnaast vordert eiser een concreet bedrag aan schadevergoeding: het bedrag van de forensenbelasting en de in de fiscale procedure betaalde proceskosten (zie memorie van grieven, p. 9 en 10, en rov. 5.1).
Köbler-arrest. (rov. 5.2)
kennelijkheeft geschonden. Daarin is hij niet geslaagd. Hij heeft noch op rechtspraak noch op literatuur gewezen die zijn standpunt ondersteunt. Bij de heffing van forensenbelasting wordt geen onderscheid gemaakt tussen ingezetenen van Nederland en ingezetenen van andere EU-lidstaten. Eiser heeft zich niet (voldoende gemotiveerd) beroepen op een
de factobenadeling van grensoverschrijdende situaties. (rov. 5.5 t/m 5.7)
3.Juridisch kader
Forensenbelasting
hier en hierna steeds mijn onderstreping, A-G):
Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, ofer op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”
nietover de toetsing aan algemene rechtsbeginselen. Omgekeerd gaan de drie bij de belastingkamer aanhangige zaken niet over toetsing aan het vrij kapitaalverkeer, wat in deze zaak de – uiteindelijk enige – grond is waarop de aanslag in de fiscale procedure is aangevochten.
Artikel 63
Sint Servatiusbepaald dat vereisten in verband met het volkshuisvestingsbeleid en de financiering daarvan een dwingende reden van algemeen belang kunnen vormen. [23] Hetzelfde is uitgemaakt voor maatregelen voor het behoud van een permanente bewoning in landelijke gebieden. [24]
Francovichwerden voor het eerst de voorwaarden vastgelegd voor het aannemen van lidstaataansprakelijkheid wegens schending van het Unierecht. [25] Een lidstaat is aansprakelijk om schade te vergoeden als aan drie voorwaarden is voldaan:
voldoende gekwalificeerdeschending, en
rechtstreeks causaal verbandtussen deze schending van de op de staat rustende verplichting en de door de particulieren geleden schade.
Francovich-rechtspraak van weinig praktisch belang is gebleken.
Köbler [28] werden de genoemde drie voorwaarden toegepast op aansprakelijkheid van de staat voor
rechtspraakvan rechterlijke instanties tegen de uitspraken waarvan geen hogere voorziening open staat (hierna:
hoogste rechter). [29] Daarbij heeft het HvJEU de tweede aansprakelijkheidsvoorwaarde, de gekwalificeerde schending van het Unierecht, gepreciseerd door te bepalen dat het moet gaan om een
kennelijkeschending van het Unierecht door de hoogste rechter. Door de precisering ‘kennelijk’ werd rekening gehouden met de specifieke aard van de rechterlijke functie en met de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Om te bepalen of aan die maatstaf is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.
Köbler-arrest niet langer worden toegepast als de gestelde onrechtmatigheid bestond in een schending van het EU-recht. [32]
Commissie) een inbreukprocedure beginnen (art. 258 VWEU Pro) tegen de betrokken lidstaat. Een voorbeeld is het arrest
Commissie/Italiëuit 2003. [33] De
Corte suprema di cassazionestelde aan teruggave van een in strijd met het Unierecht opgelegde heffing van een indirecte belasting de voorwaarde dat de handelaar kon bewijzen dat de heffing niet op afnemers was afgewenteld, hoewel het HvJEU eerder al had geoordeeld dat die voorwaarde niet mocht worden gesteld. [34]
mogelijkheidom een prejudiciële vraag te stellen indien dat voor de door haar te nemen beslissing noodzakelijk is (art. 267, 2e alinea). Deze mogelijkheid wordt een
verplichtingvoor rechterlijke instanties die in hoogste instantie recht spreken (art. 267, 3e alinea). Deze verwijzingsplicht geldt voor alle rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep. [35] Met deze verwijzingsplicht wordt voorkomen dat de hoogste rechtspraak in een lidstaat zich ontwikkelt in strijd met het Unierecht en daardoor andere rechterlijke instanties van die lidstaat in dezelfde zin gaan beslissen. [36]
acte clair). Ten derde als de betrokken Uniebepaling al door het HvJEU
isuitgelegd (
acte éclairé). De tweede uitzondering is in de praktijk de lastigste, want hoe zeker moet je er als rechter van zijn dat er redelijkerwijs geen twijfel over een uitleg kan bestaan van een bepaling? Deze drie uitzonderingen op de verwijzingsplicht van art. 267 derde Pro alinea VWEU zijn neergelegd in het
Cilfit-arrest uit 1982. [37]
Consorzio Italian Management(hierna:
Consorzio-arrest) heeft het HvJEU zijn rechtspraak over de verwijzingsplicht opnieuw uitgeschreven. [38] Het
Consorzio-arrest bevat, naast een uitvoerig overzicht, enkele preciseringen maar geen wezenlijke versoepelingen. Het arrest bevat voor de hoogste rechters wel een aanscherping: zij dienen een motivering te geven van hun beslissing niet te verwijzen zodat kenbaar is op welke van de drie (limitatieve) gronden zij van verwijzing hebben afgezien (punt 51). Op die motiveringsplicht ga ik hierna uitvoerig in.
Consorzio-arrest heeft het HvJEU nog enkele malen in antwoord op vragen van de Consiglio di Stato (die ook de zaak
Consorziohad verwezen) bevestigd dat het niet zo is dat de hoogste rechter ‘uitvoerig moet aantonen’ (“
démontrer de manière circonstanciée”) dat er over een bepaalde uitleg van een bepaling van Unierecht ook voor de hoogste rechters in andere lidstaten en voor het HvJEU zelf geen enkele redelijke twijfel (“
aucun doute raisonnable”) kan bestaan (vgl. punt 40 van het
Consorzio-arrest). [39] Ik citeer (Nederlandse taalversie niet beschikbaar):
zelfstandige grondvoor onrechtmatig handelen door de Staat kan opleveren. Deze vraag stond centraal in een zaak over de pensioenleeftijd van KLM-piloten, waarin de Hoge Raad (vierde kamer) eind 2018 arrest heeft gewezen. [41]
kennelijk onjuistis, volstaat dat om een gekwalificeerde schending van het Unierecht aan te nemen. Het feit dat de hoogste rechter niet prejudicieel heeft verwezen hoewel hij dat wél had moeten doen, voegt daar dan niets aan toe. Eventuele schade als gevolg van de onjuiste uitleg wordt door het niet-stellen van prejudiciële vragen ook niet groter, zou ik menen. In het omgekeerde geval, waarin de gegeven uitleg objectief gezien
niet kennelijk onjuistis, zal de omstandigheid dat over de juiste uitleg wél redelijke twijfel kon bestaan (maar de hoogste rechter niet heeft verwezen), niet leiden tot het vestigen van staatsaansprakelijkheid. De betrokken partij zou in dat voorbeeld na prejudiciële verwijzing vermoedelijk niet anders af zijn en dus ook niet in een gunstiger positie verkeren dan zonder verwijzing. Ik ben geneigd om reeds op basis hiervan aan te nemen dat het niet-stellen van prejudiciële vragen niet op zichzelf grond kan zijn (en zeker niet de enige grond) voor staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak.
KLM-piloten/Staat. In zijn arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de enkele schending van de verwijzingsplicht niet kan leiden tot een gekwalificeerde schending en dus ook niet tot staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak:
3.3.6 Voorts falen de onderdelen voor zover zij zich, met name onder IV, keren tegen het oordeel van het hof dat de hiervoor besproken grondslagen en hetgeen in dat verband door [eiser] c.s. is aangevoerd, in ieder geval niet toereikend zijn voor het oordeel dat sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending als hiervoor onder 3.3.4 onder (2) bedoeld. In dat verband is van belang datde uit art. 267 lid 3 VWEU Pro voortvloeiende verplichting zich primair richt tot de rechter voor wie een vraag over de uitleg van EU-recht wordt opgeworpenen dat aanspraken die aan een schending van EU-recht kunnen worden ontleend – ook ingeval een dergelijke verplichting is geschonden – niet los kunnen worden gezien van de onderliggende inhoud van het uit te leggen EU-recht.De enkele stelling dat de rechter zijn uit art. 267 lid 3 voortvloeiende Pro verplichting niet is nagekomen, volstaat derhalve niet om de hiervoor onder 3.3.4 bedoelde aansprakelijkheid te vestigen.”
Köbler-voorwaarde. Ik acht echter goed te verdedigen dat wat betreft het niet verwijzen ook niet aan de eerste en derde
Köbler-voorwaarde wordt voldaan.
eersteKöbler-voorwaarde. De verwijzingsplicht van art. 267 derde Pro alinea VWEU strekt er mijns inziens
niettoe om particulieren rechten toe te kennen. Het Haagse hof in de zaak
KLM-piloten/
Staatdacht hier anders over. Het overwoog: [43]
3.3 (…) Uit het Köbler-arrest (…) volgt dat het vooral is om te voorkomen dat door het gemeenschapsrecht aan particulier toegekende rechten worden geschonden, dat een rechterlijke instantie, waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is zich te wenden tot het HvJEU. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat de geschonden regel ertoe strekt rechten aan particulieren toe te kennen. Dat deze regel ook andere doelstellingen heeft, zoals de eenvormige uitleg van het EU-recht, staat hieraan niet in de weg.”
zich primair richt tot de rechter voor wie een vraag over de uitleg van EU-recht wordt opgeworpen” lijkt mij dat de Hoge Raad zich niet heeft willen aansluiten bij de zojuist geciteerde overweging van het Haagse hof in die zaak (zonder dat het nodig was daar uitdrukkelijk afstand van te nemen). Het zelfde hof, maar in een andere samenstelling, lijkt in de zaak
GSFS Pensionfundde bewuste passage uit het
KLM-pilotenarrest van de Hoge Raad op wijze te hebben opgevat als ik hier voorsta. [44] In lijn met de zojuist geciteerde rov. 3.3.6 van het arrest van de Hoge Raad oordeelde het hof in genoemde zaak dat de verwijzingsplicht in art. 267 derde Pro alinea VWEU “
zich primair richt tot de rechter bij wie een vraag over de uitleg van het recht van de Unie voorligt”. Het voegde daar expliciet aan toe dat art. 267 VWEU Pro “
niet zelfstandig rechten toekent aan particulieren” (rov. 5.4).
dierechten die moeten worden beschermd. Art. 267 derde Pro alinea VWEU genereert niet zelf rechten voor particulieren. [45]
Consorzio-arrest waarin wordt benadrukt dat een partij een prejudiciële verwijzing niet kan afdwingen (bijvoorbeeld omdat een verwijzing in haar processtrategie past). Het is uitsluitend aan de rechter om autonoom te beslissen of een dergelijke verwijzing noodzakelijk is:
derdeKöbler-voorwaarde– het rechtstreekse causaal verband tussen (kennelijke) schending en schade. Om te kunnen vaststellen wat de omvang zou zijn van schade die is veroorzaakt door het nalaten prejudiciële vragen te stellen, zou het nodig zijn een vergelijking te maken met de hypothetische situatie waarin wél verwijzing naar het HvJEU heeft plaats gevonden. Een inschatting zou moeten worden gemaakt van de te verwachten uitkomst van zo’n hypothetische prejudiciële procedure (waarin per definitie geen eindoordeel wordt gegeven over de concrete zaak, immers:
prejudicieel). Uit de te verwachten uitkomst in de hypothetische situatie zou dan moeten worden gedistilleerd of in de feitelijke situatie schade is geleden. Dat kan een bewerkelijke exercitie zonder duidelijke uitkomst worden.
Commissie/Frankrijkuit 2018. [46] Net als de hiervoor in 3.20 genoemde Italiaanse zaak betrof die zaak een administratieve praktijk waarbij bepaalde vereisten werden gesteld aan het bewijs van het recht op teruggaaf van een ten onrechte opgelegde belastingheffing. [47] De Commissie voerde ook een grief aan over schending van art. 267 derde Pro alinea VWEU. Het HvJEU oordeelde dat de uitleg die de Conseil d’État had gegeven aan de regels van de vrijheid van vestiging (art. 43 VWEU Pro) en het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU Pro) niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel over de juistheid daarvan bestond. De Conseil d’État was dus ten onrechte uitgegaan van een
acte clair. Ook in die procedure was de basis voor de vastgestelde inbreuk echter de gegeven uitleg en toepassing van
materiële bepalingenvan Unierecht.
Consorzio-arrest heeft het HvJEU in de al even genoemde rov. 51 bepaald dat de hoogste rechter zijn beslissing om niet te verwijzen moet motiveren:
51In dit verband volgt uit het bij artikel 267 VWEU Pro ingevoerde stelsel, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, datwanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, van oordeel is dat zij niet gehouden is door de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, omdat er sprake is van een van de drie in punt 33 van het onderhavige arrest bedoelde situaties,uit de motivering van haar beslissing moet blijken dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil, dat de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het Hof, of – bij gebreke daarvan – dat de uitlegging van het Unierecht voor de rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.”
Association France Nature Environnementhad het HvJEU geoordeeld dat het ontbreken van redelijke twijfel (uitvoerig) moet worden aangetoond. [49] Naar aanleiding daarvan is in de literatuur wel bepleit dat de motiveringsplicht algemeen gold. [50] De motiveringsplicht in dat arrest was echter sterk toegespitst op de betrokken zaak. Naar wij hiervoor zagen heeft het HvJEU inmiddels bevestigd dat het arrest in deze Franse zaak ziet op een specifieke situatie. [51]
Consorzio-arrest ontleent het HvJEU de grondslag van de motiveringsverplichting expliciet en exclusief aan het Unierecht, namelijk het stelsel van art. 267 VWEU Pro en art. 47 Handvest Pro. Uit de beslissing van de hoogste rechter moet blijken welke van de drie
Cilfit-gronden de reden vormde om van verwijzing af te zien. [52] Het HvJEU verwijst daarvoor niet naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna:
EHRM). [53] Op die laatste rechtspraak ga ik hierna als eerste in.
Cilfitzijn geformuleerd. [54] Het EHRM beschouwt de prejudiciële verwijzing in het Unierecht als een mechanisme van controle op de naleving van mensenrechten in het kader van de rechtsbescherming. [55]
Ullens de Schooten en Rezabek/België. [56] In die zaak werd geen schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro vastgesteld, omdat de nationale rechters naar het oordeel van het EHRM voldoende duidelijk hadden gemaakt dat zij zich baseerden op een van de uitzonderingen uit het
Cilfit-arrest. Zo had het Hof van Cassatie geoordeeld dat sprake was van een
acte éclairé. [57]
Dhahbiuit 2014 heeft het EHRM zeven keer een schending van art. 6 EVRM Pro vastgesteld in gevallen waarin de hoogste rechter – ondanks een voldoende duidelijk onderbouwd verzoek van een van de partijen – had nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. [58] Volgens het EHRM zijn nationale rechters verplicht om expliciet te benoemen welke van de drie
Cilfit-uitzonderingen het besluit tot niet-verwijzen rechtvaardigt. Toch wordt niet automatisch een schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro aangenomen als de rechter zijn beslissing niet te verwijzen niet heeft gemotiveerd. Het EHRM heeft in 2007 bijvoorbeeld overwogen dat een beslissing zonder motivering voldoende kan zijn indien de klager bij de hoogste rechter geen expliciet verzoek heeft gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen of niet voldoende heeft onderbouwd dat een prejudiciële vraag nodig zou zijn. [59] Dit blijkt ook uit de beslissing van het EHRM in de zaak
Somorjai/Hongarije. [60]
Consorzio-arrest in de weg staat aan afdoening met een korte standaardmotivering. Ik vat hieronder eerst samen wat tot het
Consorzio-arrest de stand van de rechtspraak was.
EHRM. In de zaak
Baydarhad de Hoge Raad (strafkamer) de (toenmalige) standaardformulering voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro gebruikt. [61] In die verkorte motivering lag besloten de beslissing dat er geen aanleiding bestond voor een prejudiciële verwijzing, waar
Baydarom had gevraagd (zij het pas in de Borgersbrief). Het EHRM diende te beoordelen of in die omstandigheden een verkorte afdoening met art. 81 lid 1 RO Pro verenigbaar was met art. 6 EVRM Pro.
45. Turning to the present case, the Court observes that the Supreme Court partly dismissed the applicant’s appeal in cassation,including his request for a referral to the CJEUfor a preliminary ruling, using a summary reasoning based on section 81 of the Judiciary (Organisation) Act (…). It is the applicant’s contention that Article 6 § 1 of the Convention militated against the Supreme Court’s confining itself to that summary reasoning in respect of his request for a referral of a question to the CJEU.
nationale rechtspraak vóór hetConsorzio-arrest. Deze rechtspraak komt erop neer dat de hoogste rechter met een verkorte afdoening impliciet beslist dat wordt afgezien van het stellen van prejudiciële vragen en dat een nadere motivering van die beslissing niet nodig is.
Ullens de Schootenen
Dhabiaf dat de plicht om de afwijzing van het verzoek om een prejudiciële beslissing te motiveren een specifiek onderdeel is van de algemene plicht van rechters ingevolge artikel 6 lid 1 EVRM Pro om hun beslissingen te motiveren (en dus geen
lex specialis). Dat een verkorte afdoening toch is toegestaan baseert de Afdeling met name op het arrest
Hansen/Noorwegenvan het EHRM. [63] Die zaak betrof een verzoek om verlof om in hoger beroep te gaan. Volgens het Noorse recht is de hoger beroepsrechter niet verplicht zijn uitspraak op dit verzoek gedetailleerd te motiveren als het (verzochte) beroep geen kans van slagen heeft. Volgens de Afdeling geldt hetzelfde voor art. 91 lid 2 Vw Pro 2000. Een beknopte motivering met toepassing van een specifieke wettelijke bepaling is daarom toegestaan. [64]
Cilfit-grond’ die weigering is gebaseerd. Tevens stelde de A-G voor in die zaak daarover vragen te stellen aan het HvJEU. Dat had volgens annotator Van Eijsden (al eerder) duidelijkheid kunnen opleveren. [67]
betekenis van punt 51 van hetConsorzio-arrest. Een belangrijke vraag is of daaruit gevolgen voortvloeien voor de mogelijke afdoeningswijze en ook, of het in dat verband verschil maakt of een procespartij de hoogste rechter (duidelijk) heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
Cilfit-gronden die beslissing is gebaseerd. Het is nog geen uitgemaakte zaak of uit de uitspraak ook moet blijken
waaromeen bepaalde
Cilfit-grond zich voordoet. Ik acht het aannemelijk dat het HvJEU dit laatste inderdaad heeft beoogd. Dat betekent dat de keuze voor een van de drie ‘vakjes’ dient te worden gemotiveerd. Een beknopte motivering zal in de regel kunnen volstaan. De motivering van de beslissing om geen prejudiciële vragen te stellen kan in voorkomend geval ook bestaan uit een verwijzing naar de bestreden uitspraak of naar de conclusie A-G, als in die uitspraak respectievelijk conclusie gemotiveerd is overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor een prejudiciële verwijzing. De zaak kan dan voor het overige deel worden afgedaan met
art. 81 lid 1 RO Pro.
Consorzio-arrest niet afleiden dat een motivering van de beslissing niet te verwijzen alleen zou gelden als de betrokken partij (duidelijk) om een prejudiciële verwijzing heeft verzocht. Voor de vereiste mate van motivering kan het wel uitmaken of om verwijzing is verzocht. Punt 51 gaat in zoverre dus iets verder dan de Straatsburgse rechtspraak (zie 3.42). De verklaring voor dit verschil zou kunnen zijn dat de door het HvJEU in punt 51 aangenomen motiveringplicht primair lijkt te zijn bedoeld bij te dragen aan (de controle op) de naleving van de verwijzingsplicht van de hoogste rechter (institutionele functie), terwijl bij art. 6 EVRM Pro procedurele waarborgen van de rechtszoekende voorop staan (rechtsbeschermingsfunctie).
Consorzio-arrest ook geldt bij niet-ontvankelijkverklaring op grond van
art. 80a ROis onzeker. Ik vind er iets voor te zeggen dat dit
nietzo is. [69] Als de aangevoerde klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden of een partij evident onvoldoende belang heeft bij haar cassatieberoep, komt het beroep niet door de ‘selectie aan de poort’ en wordt het verder niet in behandeling genomen. Daar staat tegenover dat toch over de zaak is geoordeeld. Doet zich een formele niet-ontvankelijkheidsgrond voor (beroep te laat ingediend, geen advocaat gesteld, etc.), dan wordt aan de vraag naar de noodzaak van een prejudiciële verwijzing niet toegekomen. Te denken valt verder aan een ingediend cassatieberoep tegen een tussenarrest waartegen géén cassatie is opengesteld (art. 401a lid 2 Rv). [70] Ook als een dergelijk beroep een uitvoerig onderbouwd Unierechtelijk betoog bevat, kan prejudiciële verwijzing door de Hoge Raad niet aan de orde zijn. Het HvJEU heeft in
Consorziooverwogen dat een hoogste nationale rechterlijke instantie er van af kan zien een prejudiciële vraag te stellen “
om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen”. [71] In de genoemde voorbeelden van niet-ontvankelijkheid is aan beide randvoorwaarden voldaan.
Consorzio-arrest nog kan toepassen. [73] De standaardmotivering luidt:
Moet artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd dat deze bepalingen in de weg staan aan een nationale regeling als opgenomen in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep,een opgeworpen vraag over de uitleg van Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, verkort gemotiveerd kan afdoen zonder te motiveren welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet?”
good lawis. Zelf meent de Afdeling voorshands dat dit het geval is. Zij overweegt ook dat haar rechtspraak over verkorte afdoening in lijn is met de Straatsburgse rechtspraak over art. 6 lid 1 EVRM Pro. Als gevolg van punt 51 van het
Consorzio-arrest ziet de Afdeling niettemin ruimte voor twijfel.
Köbler-criteria is voldaan. Als daar niet aan is voldaan vormt het niet motiveren, noch het niet verwijzen zelf, een aparte grond voor staatsaansprakelijkheid.
nietkennelijk heeft geschonden, is aan de tweede ‘
Köbler-voorwaarde’ voor het aannemen van staatsaansprakelijkheid niet voldaan. In die omstandigheden kan het enkele nalaten een prejudiciële vraag te stellen niet een zelfstandige grond voor staatsaansprakelijkheid opleveren. Dat laatste geldt eveneens voor het nalaten de beslissing om af te zien van een prejudiciële verwijzing te motiveren.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
rov. 5.3 (met name onder a)) en rov. 5.4. Deze overwegingen luiden als volgt:
5.3 Het hof zal de grieven bespreken aan de hand van de drie centrale stellingen van [eiser] :
de centrale stellingvan [eiser] is dat de forensenbelasting in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal (zie citaat hiervóór). Dit is niet onbegrijpelijk, gelet op 4.2 van de memorie van toelichting. Dit randnummer, en het daaraan voorafgaande 4.1, luiden als volgt (voetnoten weggelaten):
Grief 4
2.9 Volgens [eiser] hebben zowel de rechtbank als de Hoge Raad het Unierecht betreffende het vrije kapitaalverkeer materieel geschonden. De rechtbank en de Hoge Raad hebben volgens hem in strijd met het recht nagelaten prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Prejudiciële vragen hadden moeten zien op de verenigbaarheid van de Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2016 (hierna: de Verordening) van de Gemeente met de vrijheid van kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). […]”
rov. 5.5 en 5.6aan. Deze overwegingen luiden als volgt (citaat zonder voetnoot):
5.5 Het hof oordeelt als volgt. Op grond van de criteria geformuleerd in het Köbler-arrest gaat het in deze zaak om de vraag of zich het uitzonderlijke geval voordoet dat de Hoge Raad het Unierechtkennelijk
heeft geschonden. De eis dat sprake is van een 'kennelijke schending’ impliceert dat de schending met enige evidentie moet blijken en dat het er in dit geding niet om gaat of het hof aan de hand van een beoordeling ten gronde van de stellingen van [eiser] vaststelt of de forensenbelasting al dan niet in strijd is met het Unierecht. Het HvJEU heeft in het Köbler-arrest immers belang gehecht aan de specifieke aard van de rechterlijke functie en de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Met andere woorden: het is niet de bedoeling dat de zaak die geëindigd is met het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, in het onderhavige geding nog eens 'over' wordt gedaan. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid. Daarom is slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte voor aansprakelijkheid van de Staat voor een uitspraak van de Hoge Raad.Het is aan [eiser] als eisende partij om voldoende te onderbouwen dat zich hier een zodanig uitzonderlijk geval voordoet en te motiveren waarom de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden.
subonderdeel 2.1luidt de
eerste klachtdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom in rov. 5.6 aan [eiser] moet worden tegengeworpen dat de (on)verenigbaarheid van de forensenbelasting niet eerder aan het HvJ is voorgelegd.
Köbler-voorwaarden voor het vestigen van staatsaansprakelijkheid dat sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht. Verder is gememoreerd dat van een dergelijke schending in ieder geval sprake is wanneer kennelijk voorbij wordt gegaan aan rechtspraak van het HvJ (3.18). Met het hier bestreden uitgangspunt (geen rechtspraak HvJEU op dit punt) overweegt het hof dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. Dat behoeft geen nadere motivering.
tweede klachthoudt in dat het hof heeft miskend dat de Hoge Raad in 2018 hetzij een gemotiveerd inhoudelijk oordeel had moeten geven, hetzij gemotiveerd had moeten oordelen over de vraag of prejudiciële vragen aan het HvJ moesten worden gesteld. Deze klacht slaagt niet, omdat deze is gericht tegen rov. 5.6, waarin het hof alleen oordeelt dat en waarom [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. In dát kader hoefde het hof geen inhoudelijk oordeel te geven of zich moeten afvragen of prejudiciële vragen moesten worden gesteld.
rov. 5.7. Deze overweging luidt, zonder voetnoten:
Anders dan in veel van de door [eiser] aangehaalde uitspraken, wordt bij de heffing van forensenbelasting geen onderscheid gemaakt tussen ingezetenen van Nederland en ingezetenen van andere lidstaten. Forensenbelasting wordt geheven van de persoon die een tweede woning in de gemeente heeft zonder in diezelfde gemeente zijn hoofdverblijf te hebben, ongeacht in welk land (Nederland dan wel een andere lidstaat) hij woont. Het valt dan ook niet in te zien dat de forensenbelasting een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal tussen Nederland en andere lidstaten. Weliswaarkan
een nationale regeling die, zoals hier, zonder onderscheid geldt voor ingezetenen van de lidstaat en niet-ingezetenen van de lidstaat een beperking van het vrije verkeer inhouden, maar dan moet vaststaan dat grensoverschrijdende situatiesde facto
worden benadeeld. Op een dergelijk effect heeft [eiser] zich niet (voldoende gemotiveerd) beroepen. De vergelijking die [eiser] ten slotte wil maken met gemeenten die bij musea, zwembaden en dergelijke een lager tarief hanteren voor inwoners van de gemeenten en anderen, gaat reeds niet op omdat het daarbij ging om de vrijheid van dienstverlening, in ieder geval niet om het vrij verkeer van kapitaal of de forensenbelasting.”
subonderdeel 3.1geeft het geciteerde oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk. Het hof heeft miskend dat sprake is (of kan zijn) van discriminatie op grond van het Unierecht, ondanks dat bij de heffing van forensenbelasting geen onderscheid zou worden gemaakt tussen inwoners van verschillende lidstaten maar tussen inwoners van de betreffende gemeente en iedere andere (EU-)inwoner.
de factobenadeling van grensoverschrijdende situaties. De rechtsklacht lijdt bovendien schipbreuk omdat niet duidelijk is, en ook niet duidelijk wordt gemaakt, waarom in de geschetste situatie sprake is (of kan zijn) van discriminatie. Verder is niet helder waarom het oordeel onvoldoende gemotiveerd en/of onvoldoende begrijpelijk zou zijn.
subonderdeel 3.2klaagt het middel dat het irrelevant is dat hij zich niet erop heeft beroepen dat grensoverschrijdende situaties
de factoworden benadeeld door de forensenbelasting. Het hele betoog van [eiser] is juist gebaseerd op
de factodiscriminatie in strijd met diverse Unierechtelijke bepalingen. Het oordeel van het hof is dus rechtens onjuist en onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
de factodiscriminatie. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom het hofoordeel dan onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
Zoals de zaak van het Dogenpaleis, HvJEU 16 januari 2003, Commissie/ltalië. C-388/01. Deze zaak is onvergelijkbaar met de forensenbelasting zoals die in deze zaak aan de orde is.”
subonderdeel 4.1staat
rov. 5.8centraal. [80] Deze overweging luidt (citaat zonder voetnoten):
5.8 Bij het voorgaande komt dat het in dit geval gaat om een recreatiewoning in een vakantiepark, die [eiser] aanhoudt voor familiebezoek en die hij niet verhuurt. [eiser] heeft niet gewezen op rechtspraak of literatuur waaruit zou volgen dat een dergelijke aankoop, waarbij financiële motieven kennelijk niet op de voorgrond staan, kan worden beschouwd als een investering die beschermd wordt door art. 63 lid 1 VWEU Pro. Zonder nadere toelichting op de verwachte waardeontwikkeling of het verwachte rendement van de recreatiewoning, een toelichting die [eiser] slechts in algemene zin maar niet toegespitst op zijn eigen situatie heeft gegeven, valt niet in te zien waarom deze aankoop moet worden beschouwd als een ‘belegging’ in onroerend goed in de zin van de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij de (voormalige) Richtlijn 88/361 Het arrest van de HvJEU waar [eiser] naar verwijst inzake Établissements Rimbaud SA ging over een vennootschap waarvan vaststond dat deze in onroerende zaken in Frankrijk had belegd (rov. 18), niet over een particulier die een recreatiewoning had gekocht voor familiebezoek.”
onvoldoende heeft gesteldom aan te nemen dat sprake is van een investering die wordt beschermd door de Unierechtelijke bepalingen over het vrij verkeer van kapitaal. Zonder kapitaalverkeer kan er geen beperking van dat verkeer zijn. Dát (dragende) oordeel valt [eiser] niet aan. Het belang bij (het slagen van) de door hem geformuleerde klachten ontbreekt dus.
subonderdeel 4.2staat
rov. 5.9centraal. Deze overweging luidt:
5.9 Het is bovendien maar zeer de vraag of de forensenbelasting wel een beperking van het kapitaalverkeer vormt. Deze belasting knoopt immers niet aan bij enige investering of belegging in onroerend goed binnen een gemeente, maar wordt geheven van de persoon die gedurende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin beschikbaar houdt. Op grond van welke titel hij die woning beschikbaar houdt (eigendom of huur) is voor de heffing niet van belang. Integendeel, juist een persoon die als belegging een tweede woning in de gemeente koopt en deze gedurende het hele jaar verhuurt, wordt niet voor de forensenbelasting aangeslagen. Over een en ander zou wellicht anders kunnen worden gedacht indien aangenomen zou moeten worden dat de forensenbelasting in feite grensoverschrijdende beleggingen in onroerend goed belemmert, maar zoals hiervoor overwogen heeft [eiser] dat niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd.”
eerste klachthoudt in dat het hof ‘andermaal’ miskent dat [eiser] niet alleen de beperking van kapitaalverkeer aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Dit is een herhaling van het eerste onderdeel. Daarnaar wordt ook verwezen in voetnoot 27 van de procesinleiding. Ik verwijs naar mijn bespreking van dat onderdeel, op basis waarvan ook deze klacht faalt.
tweede klachtluidt dat niet van belang is welk gebruik de niet-ingezeten eigenaar van de tweede woning daaraan geeft. Dat er een categorie eigenaren is die geen forensenbelasting betalen omdat zij minder dan 90 dagen per jaar over de woning beschikken, is dus ook niet van belang.
derde klachtziet op de slotzin van rov. 5.9 waar het hof verwijst naar zijn oordeel in rov. 5.7. [eiser] verwijst naar subonderdelen 3.1 en 3.2 waarin laatstgemelde overweging wordt aangevallen en stelt dat op basis daarvan ook de slotzin van rov. 5.9 moet sneuvelen. Ik verwijs naar de bespreking van die subonderdelen, op grond waarvan ook deze klacht faalt.
subonderdeel 4.3staat
rov. 5.10in de schijnwerpers. Deze overweging luidt:
5.10 Het hof heeft bovendien twijfels bij het realiteitsgehalte van de vergelijking die [eiser] maakt tussen een natuurlijk persoon die, zoals [eiser] , niet zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft maar daar wel voor zichzelf een tweede woning aanhoudt enerzijds en een natuurlijk persoon die eveneens voor zichzelf een tweede woning in die gemeente aanhoudt maar in diezelfde gemeente tevens zijn hoofdverblijf heeft anderzijds.[eiser] heeft niet onderbouwd dat dit laatste geval zich in de praktijk meer dan bij hoge uitzondering voordoet.Het ligt immers niet voor de hand dat een natuurlijk persoon in dezelfde gemeente als waarin hij zijn hoofdverblijf houdt ook nog een gemeubileerde woning gedurende minstens 90 dagen voor zichzelf beschikbaar houdt.[eiser] heeft geen inzicht verstrekt in de vraag of en zo ja, hoe vaak dit laatste geval zich in de praktijk voordoet, meer in het bijzonder in de [gemeente]. Het enkele feit dat dit een theoretische, of zeer zeldzame, mogelijkheid is, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [eiser] het slachtoffer is van ongelijke behandeling.”
rov. 5.12 en 5.13. Deze overwegingen luiden, zonder voetnoten, als volgt:
kennelijkheeft geschonden en dat de door de gemeente geheven forensenbelasting niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal.
de factogrensoverschrijdende situaties benadeelt. (rov. 5.5 - 5.7)
rov. 5.14. Deze overweging luidt, zonder voetnoten:
(b) het nalaten prejudiciële vragen te stellen
subonderdeel 6.1keert [eiser] zich tegen deze overweging, die hij als volgt leest. Het hof zou geoordeeld hebben dat de Hoge Raad prejudiciële vragen niet relevant vond, deze vragen niet heeft gesteld en voorts dat de Hoge Raad dan ook zonder nadere motivering, in het bijzonder ten aanzien van het niet stellen van prejudiciële vragen, de zaak heeft kunnen afdoen op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro. Het hof miskent ‘aldus’ dat de Hoge Raad had moeten motiveren waarom al dan niet prejudiciële vragen dienden te worden gesteld, omdat (i) door het parket geen conclusie was genomen, (ii) door het HvJEU in het
Consorzio-arrest een motiveringsplicht is aangenomen en (iii) het hof constateert dat de (on)verenigbaarheid van forensenbelasting met het Unierecht nooit aan het HvJEU is voorgelegd. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de klacht.
kennelijk onjuisteuitleg van het Unierecht). Verder geeft de procesinleiding (in voetnoot 35) alleen vindplaatsen in de gedingstukken uit feitelijke instanties waar het gaat over (de verplichting tot) het stellen van prejudiciële vragen. Gelet op één en ander mist de klacht feitelijke grondslag, deels in het arrest en deels in de gedingstukken.
rov. 5.16 en 5.18. Deze overwegingen luiden als volgt (citaat weer zonder voetnoten):
5.16 Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in zijn uitspraak inzake Baydar geoordeeld, kort gezegd, dat afdoening van een cassatieberoep op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro, ook al is in het cassatieberoep om prejudiciële verwijzing verzocht. Voorwaarde is wel dat uit de omstandigheden van de zaak duidelijk moet zijn dat de beslissing van de Hoge Raad niet willekeurig ('arbitrary') of kennelijk onredelijk ('manifestly unreasonable’) is. Het ging inBaydar
om een strafzaak, maar het hof ziet niets in de motivering van het EHRM dat erop zou wijzen dat het tot een ander oordeel zou zijn gekomen in een belasting- of civielrechtelijke zaak.[eiser] wijst er nog op dat het EHRM inBaydarbelang heeft gehecht aan het feit dat het parket bij de Hoge Raad in die zaak heeft geconcludeerd, maar dat er in zijn zaak geen conclusie is genomen. Op zichzelf is dit juist, maar de motivering van het EHRM geeft er geen blijk van dat deze omstandigheid voor het EHRM van doorslaggevend gewicht was.
bepalend acht, uit de omstandigheden van de zaak duidelijk is dat de beslissing van de Hoge Raad niet willekeurig ('arbitrary') of kennelijk onredelijk ('manifestly unreasonable’) is. Uit hetgeen hiervoor onder 5.4 tot en met 5.13 is overwogen blijkt dat daarvan geen sprake is.Bovendien, voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat de Hoge Raad in dit opzicht wel zijn motiveringsplicht onder art. 47 Handvest Pro of art. 6 EVRM Pro heeft geschonden, levert dit niet een kennelijke schending van het Unierecht op. Uit het voorgaande volgt dat er verschillende goede gronden zijn om aan te nemen dat de van [eiser] geheven forensenbelasting niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal, zodat in redelijkheid geen aanleiding bestond prejudiciële vragen te stellen. Dat had ook voor [eiser] duidelijk moeten zijn. Tegen die achtergrond levert het feit dat niet uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt welke van de Cilfit-criteria hij in dit geval van toepassing oordeelde, niet een zodanig verzuim op dat sprake is van een kennelijke schending van het Unierecht,nog daargelaten dat niet valt aan te nemen dat de zaak een andere uitkomst zou hebben gehad indien de Hoge Raad wel had gemotiveerd waarom hij het niet nodig vond prejudiciële vragen te stellen. Causaal verband tussen de gestelde gebrekkige motivering en de door [eiser] gevorderde schade is dan ook niet aangetoond.”
Baydar-arrest van het EHRM wordt betoogd dat het in strijd met het Unierecht alsmede met art. 6 lid 1 EVRM Pro is om, terwijl geen conclusie is genomen, het cassatieberoep af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro en om terzake geen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Het hof negeert (daarmee) de argumenten waarom in de fiscale procedure hetzij had moeten worden geconcludeerd, hetzij de Hoge Raad zijn beslissing uitdrukkelijk had moeten motiveren (en dus uitschrijven).
eerste klachtin
subonderdeel 7.2houdt in dat, mede in samenhang met wat in de onderdelen 1 t/m 5 tegen rov. 5.4 t/m 5.13 is aangevoerd, het onbegrijpelijk is waarom het hof in rov. 5.18 aanneemt dat het (ook voor [eiser] ) evident is dat de beslissing niet
arbitrary(willekeurig) of
manifestly unreasonable(kennelijk onredelijk) was. Dat is nu juist niet evident, temeer omdat het HvJEU zich nog niet over de forensenbelasting heeft uitgesproken.
evident is(ook voor [eiser] ) dat de beslissing van de Hoge Raad niet willekeurig of kennelijk onredelijk was. De eerste klacht mist dus feitelijke grondslag. Ook als toch wordt aangenomen dat het oordeel van het hof op deze wijze moet worden gelezen, faalt de klacht omdat deze mede steunt op de niet succesvolle klachten in de hiervoor besproken onderdelen 1 t/m 5.
tweede klachtluidt dat vanwege het ontbreken van een conclusie óf een uitputtende uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van de Hoge Raad
in ieder gevalwillekeurig is. Dit heeft het hof miskend, zodat het ook op dit punt een rechtens onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
Baydarvan het EHRM: [84]
50. The Court therefore considers that, in the context of accelerated procedures within the meaning of section 80a or 81 of the Judiciary (Organisation) Act, no issue of principle arises under Article 6 § 1 of the Convention when an appeal in cassation which includes a request for referral is declared inadmissible or dismissed with a summary reasoning where it is clear from the circumstances of the case that the decision is not arbitrary or otherwise manifestly unreasonable (see paragraph 46 above).
Harisch [86] heeft het EHRM in de punten 37-43 bij het oordeel over een verkorte motivering door de Duitse hoogste rechter betrokken dat de nationale rechter in eerdere aanleg (a) het verzoek ter zitting heeft besproken met partijen, (b) in zijn uitspraak uitgebreid heeft verwezen naar vaste rechtspraak van het HvJEU en (c) gedetailleerd heeft uitgelegd waarom er gelet hierop geen aanleiding bestond prejudicieel te verwijzen. De weigering prejudicieel te verwijzen komt, gelet op de procedure als geheel, niet willekeurig voor en is voldoende met redenen omkleed, aldus het EHRM in die zaak.
Baydaren
Harischwas wél een dergelijk verzoek gedaan. Het niet verzoeken om prejudiciële vragen te stellen is bij toetsing aan art. 6 lid 1 EVRM Pro een omstandigheid die meeweegt (zie 3.42-3.43).
Cilfit-criteria.
nietdat dat niet had gemoeten. De klacht mist aldus feitelijke grondslag.
U vraagt mij of het feit dat de Hoge Raad niet heeft gemotiveerd waarom hij geen prejudiciële vragen stelde tot schade voor [eiser] heeft geleid. Ik weet niet of je de schade moet betrekken op het achterwege laten van prejudiciële vragen. Het gaat erom of het Unierecht juist is toegepast. […]”
Cilfit-criteria hij in dit geval van toepassing achtte, is niet een zodanig verzuim dat sprake is van een kennelijke schending van Unierecht. (rov. 5.18)
Cilfit-grond.
5.Bespreking van het middel in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
Het is op zichzelf juist dat – zoals de Kantonrechter overweegt in rov. 2.21 – het niet stellen van prejudiciële vragen als zodanig geen strijd oplevert met art. 267 VWEU Pro.”
De Hoge Raad heeft kennelijk geen aanleiding gezien om tot prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU over te gaan. Gelet op het gegeven dat de beoordeling en verantwoordelijkheid voor de beslissing in het arrest uitsluitend een zaak van de Hoge Raad was, was het ook uitsluitend aan de Hoge Raad om de noodzaak en relevantie van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van het arrest te beoordelen.Door geen prejudiciële vragen te stellen over de verenigbaarheid van de Verordening van de Gemeente met de vrijheid van kapitaalverkeer heeft de Hoge Raad als zodanig niet gehandeld in strijd met de op hem rustende verplichtingen onder artikel 19 VEU Pro en/of artikel 267 VWEU Pro.”
Grief 3