ECLI:NL:RVS:2019:1061
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Toelichting op toepassing en motivering van artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 in hoger beroep vreemdelingenzaken
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de wijze waarop artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegepast in hoger beroep tegen rechtbankuitspraken in vreemdelingenzaken.
De Afdeling legt uit dat dit artikel een verkorte motivering mogelijk maakt wanneer de aangevoerde grieven niet tot vernietiging van de uitspraak leiden. Dit draagt bij aan een efficiënte afdoening van een groot aantal zaken, waarbij het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin wordt gewaarborgd. De Afdeling onderscheidt zaken waarin uitgebreide motivering noodzakelijk is, zoals bij slagen van grieven of principiële rechtsvragen, van zaken waarin toepassing van artikel 91, tweede lid, passend is.
De uitspraak bespreekt de totstandkomingsgeschiedenis van de Vreemdelingenwet 2000, het grievenstelsel, de beperkingen in de procedure zoals afdoening buiten zitting zonder verzet, en de interne werkwijze van de Afdeling. Tevens wordt ingegaan op de verhouding tot het Unierecht en het EVRM, waarbij wordt bevestigd dat verkorte motiveringen niet in strijd zijn met deze rechtsnormen.
Tot slot bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die een uitgebreide motivering vereisen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.