ECLI:NL:RVS:2019:1060
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Toelichting op toepassing en motivering van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 in hoger beroep vreemdelingenzaken
Bij besluit van 1 mei 2018 wees de staatssecretaris een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ging in deze uitspraak uitvoerig in op de wijze waarop artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegepast in hoger beroep in vreemdelingenzaken.
De Afdeling licht toe dat dit artikel de mogelijkheid biedt om een hoger beroep met een verkorte motivering af te doen indien de aangevoerde grieven niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak kunnen leiden. Dit dient het doel van een efficiënte en doelmatige behandeling van het grote aantal vreemdelingenzaken. De Afdeling bespreekt de totstandkomingsgeschiedenis van de Vw 2000, het grievenstelsel, en de bijzondere kenmerken van het vreemdelingenrechtelijke hoger beroep, waaronder de afdoening buiten zitting en zonder verzet.
Verschillende categorieën zaken worden onderscheiden waarin artikel 91, tweede lid, wordt toegepast, zoals zaken met zwakke grieven, zaken waarin de Afdeling reeds een pilot-uitspraak heeft gedaan, en zaken waarin klachten terecht zijn maar niet leiden tot een andere uitkomst. Ook wordt ingegaan op de verhouding tot het Unierecht en het EVRM, waarbij wordt bevestigd dat verkorte motiveringen niet in strijd zijn met deze rechtsinstrumenten.
De Afdeling besluit het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond te verklaren en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €512. De uitspraak bevat tevens een uitgebreide toelichting op de interne werkwijze en motiveringspraktijk van de Afdeling in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.