ECLI:NL:HR:2015:2855

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2015
Publicatiedatum
29 september 2015
Zaaknummer
14/04781
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 434 SvArt. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad stelt verdachte in gelegenheid staving dubbele vervolging alcoholslotprogramma

De verdachte werd veroordeeld voor het niet meewerken aan een ademonderzoek op 12 september 2012 en kreeg een geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid opgelegd. In cassatie klaagde de verdachte over dubbele vervolging omdat naast de strafvervolging ook de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (asp) was opgelegd voor hetzelfde feit.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2015:1819) waarin is vastgesteld dat strafvervolging niet is toegestaan indien de verdachte reeds onherroepelijk is verplicht tot deelname aan het asp voor hetzelfde feit. De Hoge Raad benadrukt dat in deze zaak de raadsman van verdachte de gelegenheid moet krijgen om zijn stelling van dubbele vervolging te staven met betrouwbare documenten, zoals het besluit van het CBR.

De Hoge Raad wijst erop dat deze regeling pas recent duidelijk is geworden en dat in zaken die voor 3 maart 2015 zijn behandeld, zoals deze, de verdachte alsnog de mogelijkheid moet krijgen om bewijs te leveren. De zaak wordt daarom terugverwezen naar het hof en verdere beslissing wordt aangehouden totdat de stukken zijn ingediend.

Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en geeft de raadsman van verdachte de gelegenheid om bewijs te leveren voor de stelling van dubbele vervolging.

Uitspraak

29 september 2015
Strafkamer
nr. S 14/04781
LBS/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2014, nummer 23/003872-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.F. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.De bestreden uitspraak

2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 12 september 2012 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen."
2.2.
De verdachte is te dier zake veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1.
Het middel klaagt dat te dezen sprake is van een dubbele vervolging aangezien naar aanleiding van het onderhavige feit tegen de verdachte de onderhavige strafvervolging is ingesteld én mede naar aanleiding van hetzelfde feit aan hem de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp).
3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1819 overwogen:
"3.2.1. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"4.4. Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen - en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee - dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.
Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure."
3.2.2.
Met het oog op de strafzaken die inmiddels zijn afgedaan met een onherroepelijke veroordeling heeft de Hoge Raad in voormeld arrest beslist dat noch de (mogelijke) oplegging van het asp en de daaraan ten grondslag liggende regelgeving noch het daarover in dat arrest gegeven oordeel kan worden aangemerkt als een voor herziening van een veroordeling door de strafrechter vereist (nieuw) "gegeven" als bedoeld in art. 457, eerste lid onder c, Sv.
3.2.3.
Hetgeen de Hoge Raad in dit arrest heeft overwogen met betrekking tot de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, geldt eveneens in zaken als de onderhavige betreffende de weigering van de verdachte mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.
3.3.
Voormeld arrest betreft een onderwerp waarover de feitenrechters in strafzaken - wellicht mede beïnvloed door beslissingen van de bestuursrechter over dit onderwerp - divergerende opvattingen huldigden en dienvolgens tot uiteenlopende beslissingen zijn gekomen. Het arrest van 3 maart 2015 beoogt op dat punt duidelijkheid te verschaffen wat betreft de strafrechtelijke kant van het onderwerp (de strafvervolging). Daags na dit arrest heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak duidelijkheid geschapen wat betreft de bestuursrechtelijke kant van het onderwerp (ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622).
3.4.
De Hoge Raad realiseert zich dat de uitkomst van deze beslissingen niet zodanig voorzienbaar was dat de procesdeelnemers in reeds aanhangige strafzaken daarmee rekening hadden behoren te houden en daarom in feitelijke aanleg hadden moeten klagen over, kort gezegd, dubbele vervolging. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding om in zaken als de onderhavige waarin vóór 3 maart 2015 uitspraak is gedaan die nog niet onherroepelijk is geworden, te doen wat het hof had behoren te doen, mits (i) tegen de uitspraak tijdig beroep in cassatie is ingesteld, (ii) in de cassatieschriftuur is aangevoerd dat sprake is van dubbele vervolging in die zin dat de verdachte ter zake van hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, en (iii) die stelling door de raadsman is gestaafd met bescheiden aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. De onder (iii) genoemde voorwaarde geldt niet indien op grond van 's hofs vaststellingen dan wel op grond van de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het dossier de feitelijke grondslag van het middel als vaststaand kan worden aangenomen.
3.5.
Na het onderhavige arrest moet het voor de advocatuur voldoende duidelijk zijn dat en hoe in gevallen als de onderhavige in cassatie met vrucht een beroep kan worden gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Daarom zal de Hoge Raad, alvorens zo een middel te honoreren, slechts in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen vóór dit arrest, alsnog gelegenheid bieden tot staving van het middel."
3.3.
Uit het vorenoverwogene volgt dat in de onderhavige zaak de raadsman van de verdachte in de gelegenheid behoort te worden gesteld zijn stelling dat sprake is van een dubbele vervolging in die zin dat de verdachte ter zake van hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, alsnog te staven door de overlegging van bescheiden aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan het origineel of een gewaarmerkte kopie van het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen waarbij aan de verdachte de verplichting is opgelegd aan een asp deel te nemen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
bepaalt dat de raadsman van de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld om binnen acht weken na de uitspraak van dit arrest de hiervoor onder 3.3 bedoelde stukken in te zenden;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 september 2015.