Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
FutD2014-1302 en
V-N2014/35.2.4. [1]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Relevante regelgeving, jurisprudentie en literatuur
Wettekst
Stb.1996, 655). Ingevolge artikel XIX, lid 1, van laatstvermelde wet is artikel 31 van Pro de Wet in werking getreden op 1 januari 1997. Niet is voorzien in overgangsrecht. Mitsdien heeft artikel 31 van Pro de Wet onmiddellijke werking.
BNB2002/255) heeft de Hoge Raad omtrent de wijziging van artikel 29, lid 2, AWR (oud) en het daarbij behorende overgangsrecht overwogen: [17]
BNB2012/293) heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn arrest van 10 februari 1988 overwogen: [19]
BNB1988/160
BNB1988/
160).
BNB2014/206) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de informatiebeschikking en wel in relatie tot het nemo tenetur beginsel. De Hoge Raad heeft daarin overwogen: [20]
52a, lid 1, AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, lid 3artikel 25, lid 3, AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.
5.Beschouwing en beoordeling van de middelen
met betrekking toteen op te leggen aanslag (…) of een te nemen beschikking’. Dit veronderstelt een direct verband tussen de constatering van de schending en de op te leggen aanslag respectievelijk de te nemen beschikking. Hetzelfde geldt voor het derde lid van artikel 52a AWR, waarin is bepaald dat de informatiebeschikking vervalt op het moment dat de inspecteur een aanslag vaststelt of beschikking neemt ‘voordat de
met betrekking tot diebelastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.’ [59]
- Ad dividend: De vermogensvergelijking is niet gemaakt voor 2007, maar voor 2004. De winst is nooit uitgekeerd. Het feitelijke bestedingspatroon in 2007 is door beide partijen niet gecontroleerd.