ECLI:NL:PHR:2024:281

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
23/00206
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:77 Sr Sint MaartenArt. 437 Sv Sint MaartenArt. 503g Sv Sint MaartenArt. 609 lid 4 Sv Sint Maarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen ontnemingsbeslissing in Caribische strafzaak

In deze zaak heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire een bedrag van NAf 1.718.197,00 vastgesteld als wederrechtelijk verkregen voordeel en dit aan de betrokkene opgelegd tot betaling. Het cassatieberoep richt zich tegen deze ontnemingsbeslissing en bevat drie middelen.

Het eerste middel klaagt over het niet horen van bepaalde getuigen door het Hof en het gebruik van hun verklaringen zonder dat de verdediging deze kon ondervragen. De conclusie stelt dat geen verzoek tot het horen van deze getuigen in de ontnemingsprocedure is gedaan, waardoor het middel feitelijk geen grondslag heeft en faalt. Tevens is er geen wettelijke plicht voor het Hof om ambtshalve een ondervraging te organiseren.

Het tweede middel verwijst naar schending van art. 1:77 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten en beroept zich op middelen uit de hoofdzaak. Dit wordt niet als een geldig cassatiemiddel beschouwd en blijft onbesproken.

Het derde middel klaagt over een vermeende schending van de redelijke termijn in hoger beroep. Omdat de betrokkene en zijn raadsman aanwezig waren en geen verweer hebben gevoerd over termijnoverschrijding, kan dit middel niet slagen.

De conclusie adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen, omdat geen gronden voor vernietiging zijn aangetroffen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsbeslissing van het Hof blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00206 PC

Zitting19 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de betrokkene.

Inleiding

Bij beslissing van 15 december 2022 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius (hierna: het Hof) het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op NAf 1.718.197,00 en aan de betrokkene, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag.
Er bestaat samenhang met de strafzaak van de betrokkene (23/00205 C), de straf- en ontnemingszaak zaak van [medeverdachte 1] (23/00208 C en 23/00209 PC) en de strafzaak van [medeverdachte 2] (23/00207 C). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het middel bevat de klacht dat Hof “ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de verdediging om bepaalde belastende getuigen ‘adversair’ te horen, in elk geval op dat verzoek niet heeft gereageerd, en toch de verklaringen die deze getuigen eerder hadden afgelegd (impliciet en via de motivering van het strafvonnis) voor de onderbouwing van zijn beslissing heeft gebruikt, en de verklaringen van andere getuigen, die eerder waren afgelegd, voor die onderbouwing heeft gebruikt, ofschoon zijn tot de rechter-commissaris gerichte opdracht om deze getuigen te horen niet was uitgevoerd, in elk geval zonder dat de verdediging de gelegenheid was geboden om deze getuigen te ondervragen - zulks terwijl de verklaringen van de zojuist bedoelde getuigen voor de onderbouwing van het door het door het Hof vastgestelde van beslissende betekenis waren.”
5. Voor zover het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op verzoeken tot het horen van getuigen in de ontnemingsprocedure wijs ik op het volgende. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 17 (en 20) oktober 2022 betreffende (onder meer) deze ontnemingszaak en de onderliggende strafzaak volgt dat de raadsman (een deel) van het verzoek tot het horen van getuigen heeft gehandhaafd dat hij op 13 april 2021 had gedaan. Uit het proces-verbaal van het onderzoek terechtzitting van 13 april 2021 in de ontnemingszaak blijkt niet dat de raadsman in deze procedure een verzoek tot het horen van getuigen heeft gedaan. Daarmee moet ervan worden uitgegaan dat dit ook niet is gebeurd. Kennelijk heeft hij dat verzoek volgens het Hof (alleen) in de strafzaak gedaan. Hieruit volgt dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingsprocedure geen verzoek tot het horen van getuigen heeft gedaan. Het middel mist op dit punt dus feitelijk grondslag en faalt in zoverre.
6. Verder klaagt het middel dat het Hof verklaringen van getuigen ten grondslag heeft gelegd aan de beslissing in de ontnemingsprocedure die de verdediging niet heeft kunnen (doen) ondervragen. Kennelijk meent de steller van het middel dat het Hof in de onderhavige omstandigheden (waar geen verzoek tot het horen van getuigen is gedaan) ambtshalve ertoe was gehouden een gelegenheid tot ondervraging te scheppen voor de verdediging, voordat de betreffende getuigenverklaringen ten grondslag aan de ontnemingsbeslissing konden worden gelegd. [1] Het middel stelt daarmee een eis die het recht niet kent.
7. Het middel faalt.

Het tweede middel

8. Het middel klaagt onder verwijzing naar de middelen in de schriftuur die in de hoofdzaak is ingediend dat art. 1:77 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten is geschonden omdat het Hof de beslissing tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel mede heeft gebaseerd op strafbare feiten waaromtrent onvoldoende aanwijzingen bestonden dat zij door hem waren begaan.
9. Als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [2] Dat betekent in mijn ogen dat in een ontnemingszaak niet kan worden verwezen naar de middelen die zijn ingediend in de hoofdzaak voor de redenen dat de beslissing van het Hof op onjuiste gronden is gebaseerd. Reeds hierom kan het middel niet worden aangemerkt als een middel in cassatie in de zin der wet. [3] De gegrondheid van het middel is bovendien afhankelijk gesteld van het eventuele slagen van de middelen in de hoofdzaak. Art. 503g in verbinding met art. 609, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten voorziet echter al in het geval dat de uitspraak in de hoofdzaak wordt vernietigd. Ook om die reden kan het middel niet worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet. [4]
10. Nu het namens de betrokkene als tweede middel ingebrachte geen middel van cassatie is als bedoeld in art. 437 Sv Pro, moet het onbesproken blijven.

Het derde middel

11. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
12. Het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, bevat de volgende overwegingen:
“3.9. Opmerking verdient dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vòòr de bestreden uitspraak:
a. Wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd, en
b. Wanneer de verdachte en/of diens raadsman daar niet zijn verschenen maar de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.
In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.”
13. Het middel kan gelet op voormeld arrest niet tot cassatie leiden omdat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de betrokkene en zijn raadsman aldaar aanwezig waren maar dat geen verweer is gevoerd over een eventuele overschrijding van de redelijke termijn. Daarover kan niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. [5]
14. Het middel faalt.

Slotsom

15. Het tweede middel dient onbesproken te blijven. Het eerste middel en het derde middel falen en kunnen met de aan art. 81.1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
16. Ambtshalve heb geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding kan geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep in cassatie.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie voor (uitzonderlijke) omstandigheden waaronder de Hoge Raad wel een ambtshalve plicht tot het oproepen en horen van getuigen voor mogelijk houdt HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
2.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
3.Vgl. HR 14 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AD6343, waarin werd verwezen naar in andere schriftuur voorgestelde cassatiemiddelen.
4.Zie HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512. Zie ook HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:502, r.o. 2.1 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Keulen van 15 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:143.
5.Zie ook HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9570, r.o. 3.2.