Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die deelnam aan een criminele organisatie.
Het hof had vastgesteld dat de criminele organisatie ten minste zes inbraken had gepleegd met een totaal geschat wederrechtelijk voordeel van circa €198.594,59. Het hof rekende dit voordeel geheel toe aan de betrokkene en stelde hem hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling aan de Staat, omdat niet kon worden vastgesteld welk deel van het voordeel aan hem toekwam.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gehele voordeel aan de betrokkene is toegerekend zonder individuele schatting. De Hoge Raad herhaalt dat hoofdelijke aansprakelijkheid slechts gerechtvaardigd is indien sprake is van een 'gemeenschappelijk voordeel' waarover mededaders gezamenlijk kunnen beschikken. In de meeste gevallen is pondspondsgewijze toerekening of een redelijke verdeling meer passend.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het voordeel en de toepasselijkheid van hoofdelijke aansprakelijkheid. Hiermee wordt de toepassing van art. 36e, zevende lid, Sr beperkt tot uitzonderlijke gevallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en hoofdelijke aansprakelijkheid.