Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen.
"
Voorwaardelijk verzoek van de verdedigingDe raadsman van veroordeelde heeft ter zitting van 22 november 2013 zijn verzoek, zoals hij dat eerder had gedaan ter terechtzitting van 17 mei 2012 [2] , herhaald tot het horen van alle medeverdachten; te weten [betrokkene 8], [betrokkene 7],[betrokkene 4], [betrokkene 2], [betrokkene 1], [betrokkene 5], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11], [betrokkene 12], [betrokkene 13], [betrokkene 14] en [betrokkene 15], omtrent het genoten voordeel en de eventuele (wijze van) verdeling daarvan.
Het hof wijst dit verzoek af. Veroordeelde heeft - ook ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2013 - verklaard zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig misdrijf en daaruit dus geen voordeel te hebben genoten. Bij arrest van dit hof van 6 december 2013 (parketnummer 21-004582-12) is veroordeelde echter veroordeeld tot straf terzake van (onder meer) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Gelet op deze stand van zaken (en het feit dat verdachte ontkent enig voordeel te hebben gehad), is het horen van getuigen over (de verdeling van) het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals verzocht, niet noodzakelijk.”
tweede middelwordt opgekomen tegen de toepassing van art. 36e, zevende lid, Sr.
(...)
Uitgangspunt bij de ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel is het voordeel dat door de veroordeelde individueel is genoten. Van de veroordeelde kan worden afgenomen wat hijzelf daadwerkelijk heeft verkregen. De Hoge Raad verkiest dit uitgangspunt boven andere mogelijkheden. Bij mededaderschap kan zonder nadere motivering het gezamenlijke voordeel niet aan een van de mededaders worden toegerekend. Daarvoor in de plaats wordt het voordeel op basis van een pondspondsverdeling toegerekend. Ik heb dit in combinatie met de mogelijkheid voor aanvullend onderzoek beschouwd als een reële en sluitende oplossing voor het probleem dat met de hoofdelijkheid zal worden bestreden. Daarom heb ik zelf niet voorzien in een regeling voor de hoofdelijkheid. Het oordeel over de wenselijkheid daarvan laat ik graag aan de Kamer over. De heer Van Haersma Buma (CDA): Ik heb een vraag naar aanleiding van de reactie van de minister op het amendement van collega Teeven en mij. Hij zegt dat er via dit wetsvoorstel een pondspondsgewijze verdeling kan zijn. Het amendement ziet er juist op dat, wanneer maar één van de degenen bij wie verdeeld kan worden, geld heeft, daar het totaal kan worden uitgewonnen, zodat zeker is dat het geld terugkomt. Ik zie niet dat dit hetzelfde is.
Minister Hirsch Ballin: Nee, het is niet hetzelfde. Anders had ik het amendement ontraden in plaats van te zeggen dat ik het oordeel aan de Kamer overlaat. Wij moeten ons wel realiseren dat er in de toepassing van de bevoegdheid tot hoofdelijke aansprakelijkheid desalniettemin wellicht jurisprudentiëel grenzen zullen worden gesteld en dat de twee mogelijkheden dan weer heel dicht bij elkaar komen.”
Met de ontnemingsmaatregel wordt rechtsherstel beoogd: door het afnemen van criminele winsten wordt de veroordeelde in de situatie gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de strafbare feiten niet zouden zijn gepleegd. Dit is niet anders in de situatie waarin mededaders gezamenlijk lijken te hebben geprofiteerd van het plegen van strafbare feiten. Maar wanneer zij er welbewust voor kiezen om geen enkele indicatie te geven van de wijze waarop de criminele opbrengsten zijn verdeeld, is het – afhankelijk uiteraard van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval – redelijk om de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen. Ik benadruk hierbij dat artikel 36e, negende lid, Sr [12] niet verplicht tot het hoofdelijk opleggen van de betalingsverplichting. Er zijn ook andere mogelijkheden om bij meer daders, per dader te bepalen welk deel van het voordeel voor zijn rekening dient te komen. De rechter zal de betalingsverplichting, zo mag worden verwacht, alleen dan hoofdelijk opleggen, wanneer het niet mogelijk blijkt om te achterhalen of te beredeneren hoe de mededaders onderling tot een verdeling van de opbrengst zijn gekomen.”