Conclusie
3.Het eerste middel
Ik ben werkzaam bij bedrijf [A] B.V. te Amsterdam. Op 24 november 2011 is er een bedrag van 10.579,02 euro overgeboekt van [A] B.V. naar mijn rekeningnummer [001] . Ik had echter een verkeerd rekeningnummer doorgegeven aan dit bedrijf. Het moest zijn [002] . Dit juiste rekeningnummer staat op mijn naam. Het bedrag is dus gestort op ING-rekeningnummer [001] ten name van [B] B.V. gevestigd te Emmen.
Stichting [C]
Stichting [E]
En een reactie van [verdachte] ( [emailadres] ) aan [betrokkene 7] ( [emailadres] ) met als tekst: “Ik betaal vandaag [C] ”.”
Met de bankgegevens die verdachte ten aanzien van Stichting [C] tot zijn beschikking stonden, heeft hij op 9 januari vanaf de rekening van [C] , nadat daarop het genoemde geldbedrag van [B] B.V. was bijgeschreven, twee keer een bedrag van 2.000 euro overgeboekt naar zijn eigen rekening terwijl het hof ten aanzien van die bijschrijving heeft overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat [B] geld verschuldigd zou zijn aan [C] . [5] Voorts is op verschillende dagen in januari 2012 geld gepind van de rekening van Stichting [C] . Onduidelijk is of ook deze pintransacties aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Hoewel de verdachte beschikt over het pasje van de bankrekening van Stichting [C] heeft verdachte voor die pintransacties echter geen alternatieve verklaring gegeven, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de verklaring dat hij niet de enige is die over een pasje beschikt, terwijl ook [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij de bankpas en de inloggegevens aan verdachte heeft gegeven.
Gelet op de grote mate van betrokkenheid van verdachte bij voornoemde gang van zaken is, anders dan in Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:11, [6] het oordeel van het hof, dat de verdachte ‘op zijn minst’ de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geldbedrag van 10.550 euro afkomstig was uit enig misdrijf, in aanmerking genomen de door het hof in de bewijsmiddelen en zijn bewijsoverweging vastgestelde, in onderling verband en samenhang beschouwde, feiten en omstandigheden en hetgeen daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman van verdachte is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en is voorts toereikend gemotiveerd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de raadsman van verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat hij ‘met de rechtbank van oordeel [is] dat er in casu sprake is van witwassen’. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet op het standpunt gesteld dat het geld niet afkomstig was uit enig misdrijf, dan wel dat de wetenschap, al dan niet in voorwaardelijke zin, van verdachte daaromtrent zou hebben ontbroken.
4.Het tweede middel
€ 10.550,00 (tienduizend vijfhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 10.550,00 (tienduizend vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade,bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
87 (zevenentachtig) dagen hechtenis,met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van mijn ambtgenoot Bleichrodt, waarmee ik mij graag verenig, vloeit voort dat het vereiste dat de schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit, niet strikt moet worden uitgelegd. Het komt daarbij immers niet alleen aan op de gedraging die in de bewezenverklaring als zodanig is verwoord, nu er ook acht kan worden geslagen op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt. [15] Het is niet uitgesloten dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat – gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte – de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 361 lid 2 aanhef Pro en onder b Sv en artikel 51f lid 1 Sv.
Bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van 10.550 euro is het hof er kennelijk vanuit gegaan dat het geldbedrag dat door verdachte is witgewassen, hetzelfde geldbedrag betreft als het op rekening van [B] B.V. onverschuldigd betaalde bedrag. [16] Het op de rekening van [B] B.V. onverschuldigd betaalde bedrag is weliswaar door een onbekend gebleven persoon overgemaakt naar de rekening van Stichting [C] , maar uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bewijsvoering door het hof is gebleken dat de verdachte op dusdanige wijze betrokken is geweest bij de oprichting van zowel [B] B.V. als Stichting [C] , dat gezegd kan worden dat de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezenverklaarde feit (het witwassen van het van [B] B.V. naar Stichting [C] overgeboekte geldbedrag), dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht. Het hof is in zijn oordeel derhalve niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk.