Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
3.Beoordeling van de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur
4.Slotsom
5.Beslissing
14 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling gepleegd op 29 november 2013 en kreeg een gevangenisstraf opgelegd, alsmede een betalingsverplichting aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij.
Na invoering van artikel 1:78 SrA Pro, dat een nieuwe regeling voor schadevergoedingsmaatregelen introduceert, werd aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd met een sanctie van vervangende hechtenis bij niet-betaling. Deze regeling was echter pas in werking getreden op 15 februari 2014, na het begaan van het feit.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 1:1, tweede lid, SrA bij wetswijzigingen na het begaan van het feit de voor verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast. Omdat artikel 1:78 SrA Pro minder gunstige bepalingen bevat, had het hof deze buiten toepassing moeten laten. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het vonnis dat de betalingsverplichting oplegt en wijst het beroep voor het overige af.
De benadeelde partij had geen ontvankelijke middelen van cassatie ingediend. De Hoge Raad spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 14 juni 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de betalingsverplichting aan het Land Aruba wegens toepassing van minder gunstige wetswijzigingen na het feit.