ECLI:NL:HR:2016:1175

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
14 juni 2016
Zaaknummer
15/02622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:78 SrAArt. 1:1, tweede lid, SrAArt. 1:58 SrAArt. 1:168 SrAArt. 36f NSr
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging betalingsverplichting verdachte wegens wetswijziging Arubaanse sanctierecht

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling gepleegd op 29 november 2013 en kreeg een gevangenisstraf opgelegd, alsmede een betalingsverplichting aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij.

Na invoering van artikel 1:78 SrA Pro, dat een nieuwe regeling voor schadevergoedingsmaatregelen introduceert, werd aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd met een sanctie van vervangende hechtenis bij niet-betaling. Deze regeling was echter pas in werking getreden op 15 februari 2014, na het begaan van het feit.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 1:1, tweede lid, SrA bij wetswijzigingen na het begaan van het feit de voor verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast. Omdat artikel 1:78 SrA Pro minder gunstige bepalingen bevat, had het hof deze buiten toepassing moeten laten. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het vonnis dat de betalingsverplichting oplegt en wijst het beroep voor het overige af.

De benadeelde partij had geen ontvankelijke middelen van cassatie ingediend. De Hoge Raad spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 14 juni 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de betalingsverplichting aan het Land Aruba wegens toepassing van minder gunstige wetswijzigingen na het feit.

Uitspraak

14 juni 2016
Strafkamer
nr. S 15/02622 A
ABO/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 16 maart 2015, nummer H 6/15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.G. Kock, advocaat te Oranjestad, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft G. de Hoogd, advocaat te Oranjestad, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot oplegging aan de verdachte van de verplichting tot betaling aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van AWG 1.400,-, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte aan de verdachte de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan het Land Aruba van een som geld ten behoeve van de benadeelde partij, als bedoeld in art. 1:78 Wetboek Pro van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA).
2.2.
Het Hof, dat heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich op 29 november 2013 heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling, heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf en tot betaling van een bedrag van Afl. 1.400,- aan de benadeelde partij [betrokkene] . Voorts heeft het Hof onder aanhaling van art. 1:78 SrA Pro aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan het Land Aruba van een bedrag van Afl. 1.400,- ten behoeve van de benadeelde partij met de bepaling dat, bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal, vervangende hechtenis wordt toegepast van 28 dagen.
2.3.1.
Art. 1:78 SrA Pro is ingevoerd bij Landsverordening van 27 april 2012 (houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba, AB 2012, 24) en in werking getreden op 15 februari 2014. Dit artikel luidt:
"1. Bij een rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van het Gerecht wordt gebracht kan hem de verplichting worden opgelegd tot betaling aan het Land van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. (...)
2. De rechter kan de maatregel opleggen voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
3. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.
4. (...)
5. (...)
6. De artikelen 1:58 en 1:168, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft."
2.3.2.
De geschiedenis van de totstandkoming van art. 1:78 SrA Pro houdt onder meer in:
"Art. 1.78 (schadevergoedingsmaatregel)
In navolging van artikel 36f NSr wordt voorgesteld om ook in Aruba de schadevergoedingsmaatregel in te voeren. Deze maatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. De schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd als de verdachte wegens het schadeveroorzakende feit wordt veroordeeld of waarbij de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van het Gerecht wordt gebracht.
(...)
Ten overvloede zij opgemerkt dat deze regeling die van de benadeelde partij uit het Wetboek van Strafvordering van Aruba (artikel 374 en Pro volgende) onverlet laat."
(memorie van toelichting, in Wetboek van Strafrecht Aruba , 2014, blz. 372-373).
2.3.3.
Blijkens de memorie van toelichting is met art. 1:78 SrA Pro beoogd een met art. 36f van het (Nederlandse) Wetboek van Strafrecht vergelijkbare regeling in het leven te roepen. Het ten tijde van het begaan van het feit geldende Wetboek van Strafrecht van Aruba bevatte geen regeling voor het opleggen van schadevergoedingsmaatregelen. De Landsverordening van 27 april 2012 bevat ter zake van art. 1:78 SrA Pro niet een overgangsbepaling.
2.3.4.
Art. 1:1, tweede lid, SrA is bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Aruba niet gewijzigd. Het luidt:
"Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast."
2.4.1.
De invoering van art. 1:78 SrA Pro houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van het Arubaanse sanctierecht (vgl. HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3437, NJ 2016/21 ten aanzien van art. 36f Sr). In zo een geval dient de rechter op grond van art. 1:1, tweede lid, SrA bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toe te passen.
2.4.2.
Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat ingevolge art. 1:78, zesde lid, SrA de bepalingen van vervangende hechtenis (art. 1:58 SrA Pro) en vervangende jeugddetentie (art. 1:168, tweede tot en met zesde lid, SrA) van toepassing zijn, heeft het Hof miskend dat de voor de verdachte minder gunstige bepalingen van art. 1:78 SrA Pro buiten toepassing dienen te blijven (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78).
2.4.3.
Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de aan de verdachte opgelegde betalingsverplichting aan het Land Aruba vernietigen.

3.Beoordeling van de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur

Voor onderzoek door de cassatierechter komen wat de benadeelde partij betreft, alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437, derde lid, Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot oplegging aan de verdachte van de betalingsverplichting aan het Land Aruba ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van Afl. 1.400,-, subsidiair 28 dagen hechtenis;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juni 2016.