Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'rechthebbende' in artikel 138a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat betrekking heeft op het strafbaar stellen van kraken. De verdachte werd verweten dat hij in een pand te Zaandam verbleef waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd. Het hof had geoordeeld dat de eigenaar het gebruik van het pand had beëindigd en dat de hypotheekverstrekker, de FGH Bank, die voorbereidingen trof voor executoriale verkoop, niet als rechthebbende kon worden aangemerkt.
De verdediging stelde dat de bank als rechthebbende moest worden beschouwd omdat zij de executoriale verkoop voorbereidde en het pand via die weg in gebruik had. De Hoge Raad oordeelde echter dat de bevoegdheid van de bank zich beperkte tot handelingen rondom de gedwongen verkoop en niet tot het in gebruik geven van het pand. Het hof had dit oordeel met voldoende motivering en zonder onjuiste rechtsopvatting vastgesteld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Het arrest verduidelijkt de reikwijdte van het begrip 'rechthebbende' in het kader van kraken en onderstreept dat de eigenaar, en niet een hypotheekverstrekker die executoriale verkoop voorbereidt, als rechthebbende moet worden aangemerkt zolang het gebruik van het pand niet aan een ander is gegeven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de eigenaar als rechthebbende geldt, niet de hypotheekverstrekker.