Conclusie
eerste middelklaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 niet voldoet aan de daaraan op grond van art. 326 en Pro art. 415 Sv Pro te stellen eisen.
‘waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt’in het eerste lid van art. 326 Sv Pro is gelet op de gekozen bewoordingen, naar ik met de steller van het middel aanneem, bedoeld dat de griffier de gebeurtenissen ter terechtzitting naar tijdsorde, of chronologisch, opneemt in het proces-verbaal. Dat is in de onderhavige zaak niet gebeurd. De vraag is of het proces-verbaal daarmee ook zonder meer nietig is. Ik meen van niet. Daartoe het volgende.
concrete klachtontbreekt, zie ik niet waarin het belang bij cassatie van verdachte gelegen is. Evenmin begrijp ik zonder nadere toelichting waarom het verzuim zozeer in strijd is met een behoorlijke procesorde dat nietigheid van het onderzoek en de uitspraak moet volgen.
tweede middelklaagt dat het hof het beroep van de verdediging op volledige ontoerekeningsvatbaarheid, dat is gedaan ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
derde middelklaagt er over dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de maatregel van TBS met bevel tot verpleging aan verdachte heeft opgelegd.
vierde middelklaagt dat het hof het verweer dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte een vreemdeling is zonder rechtmatig verblijf in Nederland en derhalve geen recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling, ten onrechte althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
vijfde middelklaagt dat het hof het beroep op de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep ten onrechte althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.