De zaak betreft een geschil over de aard van de arbeidsovereenkomst van een statutair bestuurder bij Orthocenter N.V. en de vraag of deze overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd was, alsmede de gevolgen van het ontslag.
In de lagere instanties oordeelde de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam over de rechtsverhouding en het ontslag. Tegen het arrest van het hof van 29 maart 2016 stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen aanleiding tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de proceskosten, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.