Conclusie
Orthocenter)
arbeidsovereenkomst statutair directeur); en (ii) op basis van een tweede arbeidsovereenkomst voor twee dagen per week als vestigingsmanager/patiëntbehandelaar (hierna ook: de
arbeidsovereenkomst VM). In 2012 is [verweerder] door Orthocenter ontslagen als bestuurder (statutair directeur). De vorderingen van [verweerder] in de ontslagprocedure zijn door rechtbank en hof afgewezen, welk oordeel in 2017 door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in stand is gelaten (ECLI:NL:HR:2017:1272). De arbeidsovereenkomst VM was eerder, in 2004, door [verweerder] zelf beëindigd. [verweerder] heeft daarna, volgend op de arbeidsovereenkomst VM, in de periode 2004 t/m 2011 nog invalwerkzaamheden verricht als vestigingsmanager (hierna:
VM) en patiëntbehandelaar, waarvoor hij via de loonadministratie aanvullende vergoedingen heeft ontvangen. Afspraken hierover werden gemaakt met [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), de algemeen statutair bestuurder van Orthocenter in het bijzonder belast met financiële en administratieve zaken. In deze zaak gaat het om de vraag of er een grondslag bestaat voor de aanvullende vergoedingen aan [verweerder] , naast zijn bezoldiging als bestuurder (statutair directeur). Orthocenter meent dat [verweerder] door die aanvullende vergoedingen ongerechtvaardigd is verrijkt, dat die vergoedingen onverschuldigd zijn betaald, dan wel dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld ter zake van die vergoedingen. De rechtbank heeft de vorderingen van Orthocenter afgewezen op grond van rechtsverwerking. Het hof heeft dat vonnis, na een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, bekrachtigd. M.i. houdt dat oordeel stand in cassatie. Een kernvraag die daarbij speelt, is de relevantie voor de onderhavige zaak van het
Imeko/ […]-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BU6509).
1.Feiten
RvC) bestond ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in deze zaak (zie ook onder 2.1 hierna) uit [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) als voorzitter en [betrokkene 3] als lid.
4. [betrokkene 4]
[betrokkene 5]), controller van Orthocenter, wordt over en weer ervan uitgegaan dat de vergoedingen voor [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]) en [verweerder] op elkaar van invloed zijn, dat [verweerder] vanaf 1 september 2004 voor zijn diensten in de vestiging Heerhugowaard 5,2% van de omzet ontvangt, gebaseerd op zijn Heerhugowaard-contract van 22,2% waarop de vergoeding aan [betrokkene 4] van 17% in mindering is gebracht.
IJmond
,waarnemer [betrokkene 10] en [betrokkene 8] , die uiteindelijk de orthodontist/vestigingsmanager zal zijn. (...)”
Deloitte) heeft in opdracht van Orthocenter op 3 mei 2012 een onderzoeksrapport uitgebracht. Blijkens de brief van 29 maart 2012 waarmee de opdracht is bevestigd had Deloitte de opdracht aan de hand van een door de controller van Orthocenter per directielid opgesteld overzicht “Berekening vergoeding” over de jaren 2004 t/m 2011 vast te stellen of deze in overeenstemming waren met de formele afspraken (blijkend uit arbeidsovereenkomsten, addenda daarop en notulen RvC), vast te stellen of voor de jaren 2010 en 2011 de op de overzichten opgenomen totale vergoeding overeenkomt met de gegevens zoals opgenomen in de loonadministratie, na te gaan of sprake was van een aan- en afwezigheidsregistratie van beide directieleden en te onderzoeken voor de jaren 2010 en 2011 of de in de overzichten genoemde vergoedingscomponenten op genoemde aan- en afwezigheidsregistratie konden worden afgestemd. De bevindingen van Deloitte luiden, voor zover van belang, als volgt:
Grant Thornton) heeft in opdracht van Orthocenter een rapport d.d. 28 juni 2013 uitgebracht. Dit rapport bevat de bevindingen van een onderzoek met als daarin omschreven doel “vast te stellen in hoeverre de aan [verweerder] over (vooralsnog) 2007 tot en met 2011 betaalde vergoedingen in overeenstemming zijn met het/de arbeidscontract(en) van [verweerder] en/of andere geldende overeenkomsten, één en ander in relatie tot de door [verweerder] geleverde prestaties, teneinde inzicht te krijgen in mogelijk teveel betaalde vergoedingen en deze terug te kunnen vorderen dan wel te verrekenen of te berusten in de betaalde vergoedingen”. Blijkens het rapport heeft Orthocenter gaande het onderzoek wegens gebrek aan voldoende verifieerbare gegevens over de jaren 2007 t/m 2009 de initiële onderzoeksperiode van 2007 t/m 2011 teruggebracht tot de jaren 2010 en 2011. Het rapport luidt onder meer als volgt:
Wingman) heeft in opdracht van Orthocenter een rapport, gedateerd 28 maart 2014, uitgebracht. Dit rapport behelst een schadebepaling op basis van door Orthocenter verstrekte gegevens, te weten de rapporten van Deloitte en Grant Thornton alsmede opgave van autokosten van de directie. Het rapport vermeldt dat geen beoordeling of controle van de verstrekte informatie is uitgevoerd. Via twee benaderingen wordt de schade becijferd. Op basis van het totaal aan vergoedingen die aan omzetbeloningen en invaldagen is betaald, leidt dit tot een schadebedrag van € 675.113,--. Op basis van het uitgangspunt dat de aanvullende werkzaamheden ten koste zijn gegaan van de directietijd en dus de directiebeloning (inclusief autokosten en bonussen) terugbetaald moet worden, is de schade vastgesteld op een bedrag van € 1.093.820,--.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) heeft bij vonnis van 27 juli 2016 overwogen dat het beroep van [verweerder] op rechtsverwerking slaagt, de vorderingen van Orthocenter op die grond afgewezen en Orthocenter, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten. [2] De rechtbank heeft de volgende overwegingen aan die beslissing ten grondslag gelegd:
hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Orthocenter heeft vier grieven gericht tegen het vonnis. De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank het beroep van [verweerder] op rechtsverwerking ten onrechte heeft gehonoreerd. [verweerder] heeft de grieven in zijn memorie van antwoord bestreden.
Proces-verbaal pleidooi).
hof] mij in het voorstel vinden voor de periode dat wij geen opvolger beschikbaar hebben.” Verder blijkt uit een e-mailwisseling van oktober 2009, vergelijk hiervoor onder 2 sub (xix) [corresponderend met 1.19 hiervoor, A-G], dat [verweerder] en [betrokkene 1] zijn overeengekomen dat eerstgenoemde op verzoek van Orthocenter voorlopig als VM inviel voor “ [betrokkene 8] ”. Dit alles strookt met de verklaring van [betrokkene 1] bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep dat hij van de betalingen voor de invalwerkzaamheden van [verweerder] op de hoogte was en bekend was met de e-mailwisseling van januari 2009, hiervoor weergegeven onder 2 sub (xvi en xvii) [corresponderend met 1.16 en 1.17 hiervoor, A-G], tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 1] waaruit volgt dat [betrokkene 5] de afrekeningen voor de invalwerkzaamheden van [verweerder] telkens ter goedkeuring voorlegde aan [betrokkene 1] en dat laatstgenoemde deze stilzwijgend goedkeurde.
hof)”. Uit de omstandigheid dat in de kwartaaloverzichten de aan de VM/patiëntbehandelaars toegekende vergoedingen werden overgenomen en deze overzichten aan de RvC werden verstrekt, blijkt bovendien dat de RvC ook met de vergoedingen voor deze werkzaamheden bekend was althans geacht moet worden hiermee bekend te zijn geweest.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De verschillende procedures tussen partijen
[A]) op 26 november 2014 een procedure aanhangig gemaakt tegen Orthocenter. [verweerder] is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . [A] hield 17,2% van de aandelen in Orthocenter, welk belang als gevolg van een aandelenemissie in 2013 was verwaterd tot ongeveer 3%. [A] heeft bij de rechtbank primair veroordeling gevorderd van Orthocenter om de aandelen van [A] op de voet van art. 2:343 BW Pro - de vordering tot uittreding in de geschillenregeling [9] - over te nemen. Subsidiair heeft [A] een verklaring voor recht gevorderd dat de aandelenemissie jegens haar onrechtmatig is en dat Orthocenter jegens haar op de voet van art. 6:162 BW Pro aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft beide vorderingen bij vonnis van 2 september 2015 afgewezen. [10] De ondernemingskamer van het hof (hierna: de
OK) heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de uittreedvordering. Voor het overige heeft de OK zich onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen en de zaak verwezen naar de meervoudige burgerlijke kamer van het hof. [11] De meervoudige burgerlijke kamer van het hof (voor de gelegenheid bestaande uit de drie raadsheren uit de OK die het arrest van 15 november 2016 hebben gewezen [12] ) heeft bij arrest van 20 december 2016 de subsidiaire vordering van [A] alsnog toegewezen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [13] In de schadestaatprocedure vordert [A] een schadevergoeding van Orthocenter van ruim € 5,6 miljoen en vergoeding van kosten van ingeschakelde deskundigen en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de vordering alsmede het gewicht en de complexiteit van de reeds voorhanden zijnde rapporten van de partij-deskundigen geoordeeld dat de benoeming van één deskundige voor het waarderen van de aandelen van [A] niet volstaat. Er zal een college van drie deskundigen worden samengesteld. [14]
Imeko/ […]-arrest van de Hoge Raad. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen: [17]
Imeko/ […]-arrest ging het om een commissaris die voor zekere tijd tevens werkzaamheden op bestuursniveau verrichtte, zonder zelf bestuurder te zijn. In de statuten van de vennootschap was geregeld dat de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders aan de RvC was overgelaten. Die mogelijkheid bood - en wordt nog steeds geboden door - art. 2:135 lid 4 BW Pro. [19] Het komt in de praktijk veelvuldig voor dat de bevoegdheid van de algemene vergadering tot vaststelling van de bezoldiging van bestuurders in de statuten bij de RvC is gelegd. [20] Dat is ook het geval in de onderhavige zaak. [21] De Hoge Raad oordeelde in het
Imeko/ […]-arrest dat de RvC aan een dergelijke statutaire bepaling niet de bevoegdheid kan ontlenen om een bezoldiging, in de vorm van een aanvullende managementvergoeding, aan zijn eigen leden toe te kennen ter vergoeding van door die leden verrichte werkzaamheden op bestuursniveau. Zie onder 3.6.
NJ-annotatie van Van Schilfgaarde bij dit arrest: [22] “Deze zaak gaat over de vraag wie de beloning van een commissaris vaststelt wanneer deze (tijdelijk) met bestuurstaken wordt belast”.
Imeko/ […]-arrest (dat de beloning van bestuurders en commissarissen, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, dient te geschieden door de in de wet en statuten aangewezen organen; zie onder 3.6) van toepassing is. Als deze vennootschapsrechtelijke regel niet van toepassing is, wordt immers niet toegekomen aan de strenge sanctie van nietigheid van bezoldigingsafspraken en het bepalen van de gevolgen van die nietigheid (zie onder 3.9), wegens schending van die regel.
Imeko/ […]-arrest m.i. op (in Boek 2 BW-terminologie, vgl. voor bestuurders art. 2:135 BW Pro en voor commissarissen art. 2:145 BW Pro) de bezoldiging van bestuurders en commissarissen in die hoedanigheid, dus ter zake van het bestuurderschap of het commissariaat. Díe bezoldiging dient, ongeacht de aard van de door de bestuurder of commissaris in die functie verrichte werkzaamheden, te geschieden door het daartoe voor de betreffende functionaris (bestuurder respectievelijk commissaris) in de wet en statuten aangewezen orgaan. De termen beloning en bezoldiging zijn hier (dus) inwisselbaar, zoals trouwens ook blijkt uit het vervolg van rov. 3.4 van het
Imeko/ […]-arrest. [31] Bezoldiging wordt in Boek 2 BW niet gedefinieerd. [32] Het vennootschapsrechtelijke begrip bezoldiging kan worden onderscheiden van het arbeidsrechtelijke begrip loon (vgl. art. 7:610 BW Pro). Onder loon wordt verstaan “de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid.” [33] In de literatuur wordt ook wel een arbeidsrechtelijke uitleg aan het vennootschapsrechtelijke begrip bezoldiging gegeven: “Bezoldiging is alles wat een vennootschap aan een bestuurder, hetzij in geld, hetzij in natura, ter beschikking stelt als contraprestatie voor de door de bestuurder verrichte arbeid.” [34] Lokin merkt op dat bezoldiging in toenemende mate is verbonden met de functie van de bestuurder in plaats van met de verrichte arbeid en dat in de rechtspraak - hij doelt op het
Imeko/ […]-arrest - een strikte bevoegdheidsverdeling wordt gehanteerd waarbij het bestuurderschap doorslaggevend is en niet de verrichte arbeid. [35] In de vennootschapsrechtelijke definitie van bezoldiging die hij hanteert, gaat het om de vergoeding die door de vennootschap aan de bestuurder wordt uitgekeerd, toegekend of in het vooruitzicht gesteld ter zake van het bestuurderschap. [36] Bij een bestuurder die tevens een (gerelateerde) arbeidsovereenkomst met de vennootschap heeft, [37] zoals in de onderhavige zaak met de arbeidsovereenkomst statutair directeur gold in de hoedanigheid van [verweerder] onder (i) (zie onder 3.5), zal het (arbeidsrechtelijke) loon in de regel samenvallen met de (vennootschapsrechtelijke) bezoldiging (al wordt wel aangenomen dat bezoldiging iets ruimer kan zijn dan loon). [38] In de regel is het ook niet noodzakelijk onderscheid te maken tussen bezoldiging die de bestuurder ontvangt op grond van zijn vennootschapsrechtelijke betrekking tot de vennootschap en het loon dat hij ontvangt op grond van zijn (gerelateerde) arbeidsrechtelijke betrekking tot de vennootschap. [39]
Atlantic Nominees-arrest partijen overeen zijn gekomen dat de bestuurder ‘naast zijn functie van bestuurder tevens een andere functie in de onderneming van de vennootschap of in de onderneming van een met haar verbonden vennootschap vervult’. Deze zienswijze strookt met de opvatting van de Hoge Raad in het
Imeko-arrest, dat het formele feit van het bestuurderschap (in de casus van
Imekoging het om een commissaris) beslist over de vraag welk orgaan bevoegd is (in
Imekoging het om een besluit tot bezoldiging). Als men niet vasthoudt aan de eenvoud die de Hoge Raad in
Imekokoos, ontstaan afstemmingsproblemen (in
Imekotussen wat tot de taak van een commissaris behoorde en wat tot de taak van de directie behoorde). Soortgelijke afstemmingsproblemen zijn ook te verwachten bij het afsplitsen van de bestuurstaken van andere taken, tenzij partijen zelf daarover expliciet afspraken hebben gemaakt.” [cursivering in origineel, voetnoot niet overgenomen, A-G]
Atlantic Nominees-arrest “naast zijn functie van bestuurder tevens een andere functie in de onderneming van de vennootschap of in de onderneming van een met haar verbonden vennootschap vervult”, is sprake van een dergelijke uitzondering en leidt vennootschapsrechtelijk ontslag van de bestuurder weliswaar ook tot beëindiging van de bijbehorende arbeidsrechtelijke betrekking, maar
niettevens tot beëindiging van de arbeidsrechtelijke betrekking die ziet op de “andere functie”. [45]
Imeko/ […]-arrest, op grond van art. 2:135 lid 4 BW Pro in verbinding met art. 13 lid 3 van Pro de statuten van de vennootschap toekomen aan de RvC. Niet is komen vast te staan dat de RvC deze vergoedingen heeft vastgesteld, aldus nog steeds Orthocenter.
Atlantic Nominees-arrest zijn partijen dus overeengekomen dat [verweerder] , naast zijn functie van bestuurder (statutair directeur), tevens een duidelijk andere functie in de onderneming van Orthocenter vervulde. Het hof is in rov. 3.5-3.10 verder ervan uitgegaan dat deze duidelijke scheiding van functies van [verweerder] ook na de opzegging van de arbeidsovereenkomst VM in 2004 heeft voortgeduurd.
Imeko/ […]-arrest, vertegenwoordigd door de voorzitter van de RvC. In het licht van de duidelijke scheiding die was aangebracht tussen enerzijds [verweerder] ’s functie van bestuurder (statutair directeur) van Orthocenter en anderzijds zijn functie van VM/patiëntbehandelaar binnen Orthocenter, en van de overige vastgestelde feiten (zie mede het verslag van de directie van 1 maart 2011, onder 1.21), vind ik het niet onbegrijpelijk dat het hof in deze verhoging geen aanleiding heeft gezien aan te nemen dat de in rov. 3.5 e.v. bedoelde invalwerkzaamheden van [verweerder] daarmee tot [verweerder] ’s takenpakket als bestuurder (statutair directeur) van Orthocenter zijn gaan behoren (zie de laatste zin van rov. 3.4).
Imeko/ […]-arrest noch overigens een rechtsregel verzet zich ertegen dat met een persoon die ook bestuurder is, met het oog op duidelijk van de bestuurstaak (af)gesplitste werkzaamheden die zich vertalen in een duidelijk van het bestuurderschap te onderscheiden functie een afzonderlijke (arbeids)overeenkomst wordt aangegaan, zoals in de onderhavige zaak. Voor het namens de vennootschap aangaan van een dergelijke afzonderlijke (arbeids)overeenkomst, met inbegrip van de door die persoon te ontvangen vergoeding voor de betreffende werkzaamheden, gelden dan in beginsel de gewone vertegenwoordigingsregels waarbij het bestuur de vennootschap (zoals hier, in geval van een N.V.) op grond van art. 2:130 BW Pro vertegenwoordigt. De vennootschapsrechtelijke regel van art. 2:135 lid 4 BW Pro in verbinding met de statuten van de vennootschap dat de RvC bevoegd is tot vaststelling van de bezoldiging van bestuurders is dan, zoals in de onderhavige zaak, niet van toepassing op het aangaan van deze (arbeids)overeenkomst, ook niet als die persoon tevens bestuurder is. [54] De door een wezenlijk ander geval en andere problematiek ingegeven vennootschapsrechtelijke regel uit rov. 3.4 van het
Imeko/ […]-arrest, als bedoeld onder 3.6 en 3.11, doorkruist dit een en ander niet.
Imeko/ […]-arrest gesignaleerde belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van bevoegdhedenverdeling (en langs die weg de rechtszekerheid) niet in het gedrang komt. Het komt dan immers niet aan op de aard van de door een functionaris in dezelfde functie verrichte verschillende werkzaamheden, zoals in dat arrest voorlag, maar op door een persoon in duidelijk te onderscheiden functies verrichte duidelijk te onderscheiden werkzaamheden, waarbij die functies bovendien ook overigens (ten minste deels) beheerst kunnen en vaak zullen worden door te onderscheiden regels. Zo wordt in de onderhavige zaak de functie van [verweerder] als bestuurder (statutair directeur) van Orthocenter wel ook beheerst door Boek 2 BW, maar zijn functie als VM/patiëntbehandelaar binnen Orthocenter in beginsel niet.
Imeko/ […]-arrest verder onderkende belang om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen, geldt dan evenmin op die wijze. Dan speelt immers niet dat een orgaan bezoldiging aan een eigen lid toekent voor in die hoedanigheid verrichte werkzaamheden (waarbij die leden er een persoonlijk belang bij hebben hun bezoldiging zo hoog mogelijk vast te stellen), zoals in dat arrest voorlag, maar (hooguit) dat een orgaan de vergoeding vaststelt voor werkzaamheden die een persoon, die ook lid is van dat orgaan, in een duidelijk te onderscheiden andere functie verricht en die duidelijk te onderscheiden zijn van het bestuurderschap. Voor zover dáárbij een belangenconflict zou kunnen opspelen, voorziet de wet sinds 1 januari 2013 met onder meer art. 2:129 lid Pro 5-6 BW (voordien art. 2:146 (oud) BW) in een specifieke regeling ter zake, nog daargelaten gedragsnormerende bepalingen als art. 2:8 en Pro 2:9 BW.
In het
[…]-arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over art. 2:256 (oud) BW, de vrijwel gelijkluidende bepaling die gold voor B.V.’s: [62]
[…]-arrest tegenstrijdig was met het belang van Orthocenter op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op zijn besluitvorming met betrekking tot de met [verweerder] gemaakte afspraken over de aanvullende vergoedingen vanwege de in rov. 3.6 en 3.10 bedoelde invalwerkzaamheden van [verweerder] als VM/patiëntbehandelaar dat hij ( [betrokkene 1] ) zich niet in staat had mogen achten het belang van Orthocenter met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen, en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Ik kom hierop terug bij de bespreking van onderdeel 3.
Het hof is in (rov. 3.4 t/m) rov. 3.10 uitgegaan van de situatie dat partijen zijn overeengekomen dat de bestuurder “naast zijn functie van bestuurder tevens een andere functie in de onderneming van de vennootschap of in de onderneming van een met haar verbonden vennootschap vervult” [64] (zie ook onder 3.15). Naar het oordeel van het hof in rov. 3.4 hebben partijen met de twee separate arbeidsovereenkomsten die Orthocenter en [verweerder] in 2003 hebben gesloten “een duidelijke scheiding aangebracht tussen de functie van [verweerder] als bestuurslid (beschreven in de arbeidsovereenkomst statutair directeur) en de functie van [verweerder] als VM/patiëntbehandelaar (beschreven in de arbeidsovereenkomst VM).” Beide overeenkomsten zijn door ondertekening van de op grond van de wet en statuten aangewezen bevoegde organen rechtsgeldig tot stand gekomen (zie ook onder 3.13 en 3.16). De klacht heeft betrekking op aanvullende vergoedingen die aan [verweerder] zijn toegekend in de periode nadat [verweerder] de arbeidsovereenkomst VM heeft beëindigd, vanaf 1 juni 2004, althans 1 september 2004. Het hof heeft in dit verband met juistheid vastgesteld dat [verweerder] per brief van 1 juni 2004 aan Orthocenter heeft geschreven zijn arbeidsovereenkomst VM per 1 juni 2004 te beëindigen (rov. 2 onder (vii), zie ook onder 1.7). In de Conclusie van dupliek is hierover door [verweerder] opgemerkt dat de brief “een bevestiging [is] van een afspraak over beëindiging van de toenmalige arbeidsovereenkomst als vestigingsmanager met wederzijds goedvinden. Op uitdrukkelijk verzoek van Orthocenter is de aanvankelijke beëindigingsdatum van 1 juni 2004 verschoven naar 1 september 2004. Orthocenter gaf aan vanwege de drukte in de praktijk en het feit dat eerst per 1 september 2004 een opvolger ( [betrokkene 4] ) van [verweerder] als vestigingsmanager te hebben [verweerder] niet eerder dan per 1 september te kunnen missen. Tussen partijen is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst als vestigingsmanager van Orthocenter Heerhugowaard op gelijke condities doorliep tot 1 september 2004.” [65] Deze weergave wordt bevestigd door de vaststelling van het hof dat [betrokkene 4] per 1 september 2004 als VM Heerhugowaard is aangesteld tegen een vergoeding van 17% van de omzet van de vestiging Heerhugowaard (rov. 2, onder (ix), zie ook onder 1.9), de vaststelling dat Orthocenter aan [verweerder] over de periode januari 2004
tot en met augustus 2004de omzetvergoeding van 22,2% voor zijn werkzaamheden als VM heeft betaald over de omzet van vestiging Heerhugowaard (rov. 2 onder (xxii), zie ook onder 1.22) en door de bevindingen van Deloitte ten aanzien van de Omzetvergoeding Heerhugowaard van 22,2% (rov. 2 onder (xxvi), zie ook onder 1.26). Voorts kan in dit verband worden gewezen op de Pleitnotitie comparitie zijdens [verweerder] waarin is gesteld “dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] als vestigingsmanager van Orthocenter Heerhugowaard per 1 september 2004 is geëindigd.” [66] Ik begrijp het arrest van het hof zo dat het in (rov. 3.4 t/m) rov. 3.10 heeft geoordeeld dat de contractuele band na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst VM per 1 september 2004 is
voortgezet(zie ook onder 3.15) Dat sprake is geweest van “tussen partijen gemaakte afspraken” (rov. 3.10) met betrekking tot de invalwerkzaamheden die [verweerder] heeft verricht als VM/orthodontist in diverse praktijken van Orthocenter staat niet ter discussie. De kwalificatievraag - de vraag of deze afspraken kwalificeren als een arbeidsovereenkomst - speelt ook niet in deze zaak. [67] Het gaat in deze zaak niet om de vraag hoe een - op zichzelf staande - overeenkomst krachtens welke een van de partijen bij die overeenkomst werkzaamheden verricht voor de ander, moet worden gekwalificeerd of de daarmee verwante vraag of, en zo ja wanneer, moet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen indien iemand zonder duidelijke afspraken daarover werkzaamheden voor een ander is gaan verrichten. [68] Uit het bestreden arrest blijkt dat [verweerder] en Orthocenter zich uitdrukkelijk jegens elkaar hebben verbonden. [69] Kort gezegd blijkt uit rov. 3.5 dat [verweerder] de invalwerkzaamheden in opdracht van Orthocenter verrichtte en dat [betrokkene 1] de betalingen (stilzwijgend) goedkeurde, uit rov. 3.6 dat [betrokkene 1] als algemeen statutair directeur bevoegd was die afspraken te maken, en uit rov. 3.7 dat de desbetreffende betalingen aan [verweerder] voor de invalwerkzaamheden met goedkeuring althans medeweten van [betrokkene 1] in de loonadministratie van Orthocenter werden verwerkt. Het hof heeft anders gezegd uit hetgeen [verweerder] en Orthocenter over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden [70] in rov. 3.10 geconcludeerd dat “ [verweerder] , naast zijn werkzaamheden als statutair directeur, gedurende de jaren 2004 tot en met 2011 in opdracht van Orthocenter - in dezen vertegenwoordigd door [betrokkene 1] - invalwerkzaamhden heeft verricht als VM/orthodontist in diverse praktijken van Orthocenter”, dat “[d]e voor deze invalwerkzaamheden betaalde vergoedingen door controller [betrokkene 5] met [betrokkene 1] [zijn] afgestemd en vervolgens in de jaarstukken [zijn] opgenomen” en dat “[d]e desbetreffende betalingen zijn gedaan op basis van tussen partijen gemaakte afspraken en dus niet [behoeven] te worden terugbetaald.” Op grond van de wilsvertrouwensleer kon het hof aannemen dat [verweerder] en Orthocenter hebben beoogd de contractuele relatie met betrekking tot invalwerkzaamheden voort te zetten. [71] Die lezing, waarin de contractuele band met betrekking tot de arbeidsovereenkomst VM niet volledig is beëindigd, strookt overigens ook met de opzeggingsbrief van [verweerder] van 1 juni 2004, waarin hij schrijft: “Per 1 juni 2004 eindigt, zoals reeds eerder besproken mijn arbeidscontract als vestigingsmanager van Orthocenter Heerhugowaard. Aangezien Orthocenter het percentageverschil van 22,2 en 17 % niet wenst af te kopen is afgesproken dat het recht blijft bestaan op betaling aan mij van 5,2 procent van de bruto omzet van Orthocenter Heerhugowaard”. [72] In het licht van dit alles is het niet onbegrijpelijk dat het hof zich in zijn overwegingen mede heeft gebaseerd op de arbeidsovereenkomst VM. In rov. 3.4 heeft het hof uit de twee separate arbeidsovereenkomsten afgeleid dat “partijen een duidelijke scheiding hebben aangebracht tussen de functie van [verweerder] als bestuurslid (beschreven in de arbeidsovereenkomst statutair directeur) en de functie van [verweerder] als VM/patiëntbehandelaar (beschreven in de arbeidsovereenkomst VM).” In rov. 3.5 heeft het hof uit de artikelen 2.2 en 2.4 van de arbeidsovereenkomst VM afgeleid - dat volgt uit de “aldus” in de tweede zin van rov. 3.5 - dat ook “voor het verrichten van invalwerkzaamheden (…) nodig was dat Orthocenter daartoe opdracht gaf.” [73] In rov. 3.7 stelt het hof vast dat [verweerder] op grond van de arbeidsovereenkomst VM aan [betrokkene 1] moest rapporteren. Nu in de overwegingen van het hof besloten ligt dat met betrekking tot de invalwerkzaamheden sprake was van een voortgezette contractuele (arbeids)relatie, volgend op de arbeidsovereenkomst VM, is het niet onbegrijpelijk dat het hof zich in de motivering van zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de arbeidsovereenkomst VM als achtergrond.
Op het voorgaande stuit de klacht af.
De klacht bouwt voort op onderdeel 2. Hierna zal blijken dat onderdeel 2 uitgaat van een verkeerd(e) lezing en toepassingsbereik van het
Imeko/ […]-arrest. Subonderdeel 1.3 deelt in het lot van onderdeel 2. Het hof heeft in rov. 3.5 niet miskend dat slechts de RvC bevoegd was te besluiten tot bezoldiging van [verweerder] . Het onderdeel ziet, kort gezegd, eraan voorbij dat partijen - in termen van het
Atlantic Nominees-arrest - zijn overeengekomen dat [verweerder] , naast zijn functie van bestuurder, tevens een andere functie in de onderneming van Orthocenter vervulde, waarbij de gewone bevoegdheidsregels golden (zie ook onder 3.16).
Subonderdeel 1.4 is gericht tegen de verwerping van het hof in rov. 3.4 van de stelling van Orthocenter dat de invalwerkzaamheden van [verweerder] als orthodontist/patiëntbehandelaar tot zijn takenpakket als statutair bestuurder behoorden, de verwerping van het hof in rov. 3.7 van de stelling dat [verweerder] invalwerkzaamheden heeft verricht op dagen waarop hij ingevolge de arbeidsovereenkomst statutair directeur belast was met bestuurswerkzaamheden en hij om die reden dubbel betaald is, en de conclusie in rov. 3.10 dat [verweerder] naast zijn werkzaamheden als statutair bestuurder invalwerkzaamheden heeft verricht. Subonderdeel 1.5 is gericht tegen de verwerping van het hof in rov. 3.8 van Orthocenters beroep op het verbod op nevenwerkzaamheden in art. 9 van Pro de arbeidsovereenkomst statutair directeur.
Imeko/ […]-arrest, dat de beloning van bestuurders en commissarissen dient te geschieden door de in wet en de statuten aangewezen organen, ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders en commissarissen te voorkomen (zie onder 3.6).
De interpretatie die het subonderdeel geeft aan de regel uit het
Imeko/ […]-arrest dat de beloning van bestuurders en commissarissen dient te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel geeft een te letterlijke interpretatie van deze regel, waarin ten onrechte wordt voorbijgegaan aan de context waarin de Hoge Raad deze regel heeft gegeven. Het
Imeko/ […]-arrest gaat over een commissaris die tevens bestuurswerkzaamheden verrichtte en voor die bestuurswerkzaamheden een beloning - “managementvergoeding” - door de RvC kreeg toegekend, terwijl de algemene vergadering op grond van de wet en de statuten bevoegd was zijn bezoldiging als commissaris vast te stellen. De commissaris was niet door de algemene vergadering benoemd tot bestuurder. Daarom had hij alleen recht op een door de algemene vergadering toegekende commissarisbezoldiging en niet tevens op een door de RvC toegekende “managementvergoeding” voor bestuurswerkzaamheden (zie ook onder 3.8).
In de onderhavige zaak was [verweerder] naast zijn functie van bestuurder (statutair directeur) van Orthocenter tevens werkzaam in een duidelijk andere functie in de onderneming van de vennootschap, namelijk als VM/patiëntbehandelaar op basis van een te onderscheiden contractuele relatie met Orthocenter. [betrokkene 1] was, als de algemeen statutair directeur van Orthocenter, bevoegd om hierover namens Orthocenter afspraken te maken met [verweerder] , hetgeen naar het oordeel van het hof ook is gebeurd (zie rov. 3.6 en 3.10). Het
Imeko/ […]-arrest staat hieraan niet in de weg (zie ook onder 3.16). Daarmee valt de bodem weg onder de klacht.
RvC”). Ook de arbeidsovereenkomst voor het vestigingmanagerschap is “
Voor akkoord” ondertekend door [betrokkene 2] namens de RvC. Dit is niet standaard; arbeidsovereenkomsten met ‘normale’ vestigingsmanagers – niet zijnde bestuurders – worden (uitsluitend) door de bestuurder(s) van Orthocenter gesloten. Dit ligt bij bestuurders (tevens zijnde vestigingsmanagers) uiteraard anders; Orthocenter wenst niet dat een bestuurder met zichzelf of een medebestuurder contracteert en/of (financiële) beslissingen neemt die hemzelf of zijn medebestuurder betreffen. Een en ander strookt met en volgt ook uit artikel 13 lid 3 van Pro de statuten van Orthocenter, op grond waarvan de bezoldiging van de bestuurders van Orthocenter wordt vastgesteld door de RvC. Dat [verweerder] hiervan wist blijkt uit de gesloten overeenkomsten en bijvoorbeeld ook uit de e-mail van zijn medebestuurder [betrokkene 1] van 26 juli 2010 met als titel “
Bezoldiging 2011” waarin hij schrijft “
Hierbij een voorstel om met [betrokkene 2] [ [betrokkene 2] ] te bespreken”. [verweerder] wist dus als geen ander dat de RvC zijn bezoldiging moest vaststellen.
De beloning van bestuurders (…) dient,ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten bij de toekenning van beloningen van bestuurders (…) te voorkomen, te geschieden door de in wet en de statuten aangewezen organen.” Binnen Orthocenter dus door de RvC.
goedkeuringvan de RvC vereist is. Hiervan is geen sprake. De “
bezoldiging van bestuurders” wordt op grond van de statuten van Orthocenter
vastgestelddoor de RvC. De RvC is dus vertegenwoordigingsbevoegd. Besluiten (als hiervan sprake is) van bestuurder(s) van Orthocenter omtrent de bezoldiging van [verweerder] zijn nietig ex artikel 2:14 lid 1 BW Pro.”
Mede in het licht van de stellingen van Orthocenter acht ik het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6 (in verbinding met rov. 3.4 en 3.10) niet onbegrijpelijk. Ik begrijp het oordeel van het hof zo dat het - door het hof onderkende - beroep van Orthocenter op de vennootschapsrechtelijke regel uit het
Imeko/ […]-arrest als bedoeld onder 3.6 en 3.9, waaruit zou volgen dat de RvC op grond van art. 2:135 lid 4 BW Pro in verbinding met art. 13 lid 3 van Pro de statuten (bij uitsluiting) bevoegd zou zijn [verweerder] ’s beloning vast te stellen ongeacht de aard van de door hem verrichte werkzaamheden, wordt verworpen. Het hof is er, met [verweerder] , terecht van uitgegaan dat inzake de invalwerkzaamheden die [verweerder] heeft verricht in hoedanigheid van VM/patiëntbehandelaar en de daarmee gepaard gaande vergoedingen (“afspraken (…) aangaande invalwerkzaamheden”, zie rov. 3.6)
[betrokkene 1], als de algemeen statutair directeur van Orthocenter, bevoegd was om
namensOrthocenter afspraken met [verweerder] te maken. Daarbij wijs ik erop dat tussen partijen niet in geschil was dat (van vaststelling door de RvC te onderscheiden) ‘goedkeuring’ door de RvC hiervoor niet was vereist. Zoals blijkt uit de onder 3.35 aangehaalde passage van Orthocenter (onder 5), heeft Orthocenter zich op het standpunt gesteld dat van een bestuursbesluit waarvoor op grond van de statuten goedkeuring van de RvC vereist is, geen sprake was. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat de beloning voor de invalwerkzaamheden niet onderworpen was aan goedkeuring (of vaststelling) door de RvC:
het ontbreken van de goedkeuring van de raad van commissarissen tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de directie of de directeuren niet aan.” (…). Anders gezegd: de tussen [verweerder] en [betrokkene 1] gemaakte afspraken, waar dus ook uitvoering aan is gegeven, zijn rechtsgeldig gemaakt en hebben Orthocenter gebonden.” [81] [cursivering in origineel, A-G]
namensOrthocenter getekend door
[betrokkene 2]als voorzitter van de RvC. De tweede overeenkomst (de arbeidsovereenkomst VM) is
namensOrthocenter getekend door
[betrokkene 1]als algemeen statutair directeur, en “voor akkoord” meegetekend door [betrokkene 2] (zie ook onder 3.16). Zie rov. 3.4, waarop rov. 3.5, tweede en derde zin voortbouwt, waarop het vervolg van rov. 3.5 voortbouwt, waarop rov. 3.6 voortbouwt. Het hof hoefde daarop in rov. 3.5 en 3.6 niet verder in te gaan. Dit een en ander onderstreept nog eens dat het hof, niettegenstaande de verwijzing in rov. 3.6, tweede zin naar ‘goedkeuring’, afdoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op de in het subonderdeel bedoelde stellingen van Orthocenter (en deze dus ook niet heeft misverstaan).
Zoals onder 3.36 is gebleken, kon het hof er (met [verweerder] ) van uitgaan dat [betrokkene 1] als de algemeen statutair directeur van Orthocenter bevoegd was namens Orthocenter afspraken te maken met [verweerder] “aangaande invalwerkzaamheden” (zie rov. 3.6). Uit het vervolg van rov. 3.6 blijkt dat het hof het tot de taak van [betrokkene 1] rekende de RvC daarover “vervolgens in te lichten”, dat “onwetendheid van de RvC met de invalwerkzaamheden van [verweerder] en de in verband daarmee aan hem toegekende vergoeding door Orthocenter dan ook niet aan [verweerder] [kan] worden tegengeworpen”, en dat “[o]verigens” ervan mag worden uitgegaan dat de RvC op de hoogte was van zowel de invalwerkzaamheden van [verweerder] als van de daarmee gemoeide en aan [verweerder] betaalde vergoedingen. Uit het voorgaande volgt niet dat volgens het hof de RvC heeft besloten tot vaststelling van de aanvullende vergoedingen, althans geacht mag worden daarmee te hebben ingestemd. Voor de in het subonderdeel geciteerde zin uit rov. 3.9, welke zin overigens niet daar maar in rov. 3.10 te vinden is (“De voor deze invalwerkzaamheden betaalde vergoedingen zijn door controller [betrokkene 5] met [betrokkene 1] afgestemd en vervolgens in de jaarstukken opgenomen”), geldt niet iets anders. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag. Zoals blijkt uit de formulering door het hof (“Overigens”) is dit bovendien een overweging ten overvloede, zodat de klacht ook faalt bij gebrek aan belang.
Dat het hof tot dit oordeel is gekomen, acht ik overigens niet onbegrijpelijk. Het hof baseert zich in rov. 3.6 op specifieke “kwartaaloverzichten” (waarin “de aan de VM/patiëntbehandelaars toegekende vergoedingen werden opgenomen”) die door [verweerder] in het geding zijn gebracht voorafgaand aan het pleidooi. [82] Het hof heeft daaruit, mede tegen de achtergrond van de voorafgaande - in cassatie onbestreden - overwegingen in rov. 3.6 omtrent de taak van [betrokkene 1] (“om de RvC daarover [de met [verweerder] gemaakte afspraken “aangaande invalwerkzaamheden”, A-G] vervolgens in te lichten”) [83] en hetgeen de RvC wist over de invalwerkzaamheden van [verweerder] op basis van de genoemde agenda en notulen van RvC-vergaderingen, alsmede van het partijdebat ter zake (met inbegrip van het door Orthocenter opgemerkte als bedoeld in de vierde en vijfde zin van het subonderdeel), [84] mogen afleiden zoals het heeft gedaan dat de RvC ten minste geacht mag worden met de vergoedingen voor de invalwerkzaamheden van [verweerder] bekend te zijn geweest.
Het onder 3.9 uiteengezette aspect dat de strikte toepassing van de bevoegdheidsverdeling niet al te gemakkelijk ondergraven moet kunnen worden door de gevolgen van een nietig bezoldigingsbesluit te beperken, speelt in rov. 3.6 (als bestreden in het subonderdeel) trouwens niet, zo moge duidelijk zijn. [betrokkene 1] was ter zake als algemeen statutair directeur immers bevoegd, niet de RvC. Het hof heeft slechts, en ten overvloede, overwogen dat de RvC bekend was, althans geacht moet worden bekend te zijn geweest, met de vergoedingen voor de werkzaamheden van [verweerder] . Dat draagt ook bij aan de begrijpelijkheid van de motivering.
Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat het hof niet met zoveel woorden is ingegaan op het beroep van Orthocenter dat slechts de RvC bevoegd was Orthocenter ter zake te vertegenwoordigen, aangezien sprake was van tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:146 (oud) BW. Het hof was hiertoe ook niet gehouden. De bewoordingen van de in het onderdeel aangehaalde passage uit de Spreekaantekeningen comparitie zijdens Orthocenter lijken weliswaar te duiden op toepassing van het
[…]-arrest, overigens zonder naar dat arrest te verwijzen (“alle geschetste omstandigheden in acht genomen”, “de vereiste integriteit en objectiviteit”). Zoals uiteengezet onder 3.17, volgt uit het
[…]-arrest dat een beroep op art. 2:146 (oud) BW slechts zou kunnen slagen, als een persoonlijk belang van [betrokkene 1] (die “in dezen” Orthocenter vertegenwoordigde, zie rov. 3.6 en 3.10) in de zin van rov. 3.4 van het
[…]-arrest tegenstrijdig was met het belang van Orthocenter op grond van daartoe naar voren gebrachte, voldoende geadstrueerde, omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op zijn besluitvorming met betrekking tot de met [verweerder] gemaakte afspraken over de aanvullende vergoedingen dat hij ( [betrokkene 1] ) zich niet in staat had mogen achten het belang van Orthocenter met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen, en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Ik memoreer dat uit het
[…]-arrest volgt dat, mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op art. 2:146 (oud) BW zijn verbonden, het niet aanvaardbaar is dat wordt volstaan met de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dit nader te concretiseren. In de passage uit de gedingstukken waarop onderdeel 3 is gebaseerd, wordt evenwel niets gesteld over een persoonlijk belang van [betrokkene 1] dat ter zake strijdig was met het belang van Orthocenter. In de desbetreffende passage wordt slechts gesteld dat
[verweerder]niet in staat wordt geacht het belang van Orthocenter met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen, omdat het zijn eigen beloning was. Wanneer [verweerder] namens Orthocenter met zichzelf had gecontracteerd over de aanvullende vergoedingen voor zijn invalwerkzaamheden als VM/patiëntbehandelaar, had inderdaad sprake kunnen zijn van een tegenstrijdig belang als bedoeld in art. 2:146 (oud) BW. Dát was echter niet de situatie die voorlag, ter beoordeling door het hof. Het hof heeft immers aangenomen dat Orthocenter in dezen (bevoegd) vertegenwoordigd werd door haar algemeen statutair directeur, [betrokkene 1] (zie rov. 3.6 en 3.10). Daarin ligt ook de verwerping van voornoemd beroep besloten. Tot een nadere motivering was het hof ook hier niet gehouden, gelet op het voorgaande. Daargelaten dat Orthocenter dus niet heeft gesteld dat
[betrokkene 1]bij het
namensOrthocenter maken van afspraken met [verweerder] over aanvullende vergoedingen voor diens invalwerkzaamheden als VM/patiëntbehandelaar een persoonlijk tegenstrijdig belang had als bedoeld in het
[…]-arrest, is het overigens geen gegeven dat de enkele omstandigheid dat [verweerder] ook statutair directeur van Orthocenter was, zonder méér maakt dat [betrokkene 1] ‘dus’ niet in staat moet worden geacht ter zake het belang van Orthocenter te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Als het hof het beroep van Orthocenter op tegenstrijdig belang al over het hoofd zou hebben gezien, faalt de klacht ook bij gebrek aan belang, vanwege de onvoldoende onderbouwing van de stelling door Orthocenter.
Het oordeel van het hof in rov. 3.9 over de omzetvergoeding van 5,2% steunt op de door het hof vastgestelde feiten en op hetgeen daarover door partijen bij gelegenheid van pleidooien in hoger beroep is verklaard. Het hof verwijst in rov. 3.9 naar de feiten die zijn vastgesteld in rov. 2 onder (ix) (zie ook onder 1.9). Dat betreft een e-mailwisseling tussen [verweerder] , [betrokkene 1] en [betrokkene 5] van augustus 2004, waarin “over en weer ervan [wordt] uitgegaan dat de vergoedingen voor [betrokkene 4] en [verweerder] op elkaar van invloed zijn, dat [verweerder] vanaf 1 september 2004 voor zijn diensten in de vestiging Heerhugowaard 5,2% ontvangt, gebaseerd op zijn Heerhugowaard-contract van 22,2% waarop de vergoeding aan [betrokkene 4] van 17% in mindering is gebracht.” [88] Uit de arbeidsovereenkomst VM blijkt ook dat [verweerder] en Orthocenter een omzetvergoeding van 22,2% waren overeengekomen (zie ook onder 1.26). Verder wees ik onder 3.21 op de opzegbrief van [verweerder] van deze arbeidsovereenkomst VM waarin hij aan Orthocenter schreef: “Per 1 juni 2004 eindigt, zoals reeds eerder besproken mijn arbeidscontract als vestigingsmanager van Orthocenter Heerhugowaard. Aangezien Orthocenter het percentageverschil van 22,2 en 17 % niet wenst af te kopen is afgesproken dat het recht blijft bestaan op betaling aan mij van 5,2 procent van de bruto omzet van Orthocenter Heerhugowaard”. [89] Uit het Proces-verbaal pleidooi blijkt dat [verweerder] zelf onder meer heeft verklaard: “De afspraak over 22,2 % was gemaakt in de tijd vóór [betrokkene 2] . In die tijd was [betrokkene 9] algemeen directeur.” [90] [betrokkene 1] heeft daarover bij pleidooi in hoger beroep verklaard: “Een tandarts krijgt normaliter 17 %, een orthodontist 19 á 20 %. [verweerder] kreeg 22,2 %. Dat was gebaseerd op een oude afspraak. Over de 5,2 % zei [verweerder] dat het verband hield met een investering van ƒ 250.000,- die hij in het verleden had gedaan. Ik heb dat voor juist aangenomen.” [91] Het subonderdeel beroept zich op een passage uit de Conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis, waarin van de zijde van Orthocenter is gesteld: [92]
Allereerst geldt, dat het subonderdeel de bestreden zin uit rov. 3.7 te geïsoleerd leest. In de daaropvolgende zin in rov. 3.7 stelt het hof immers - in cassatie onbestreden - vast: “Integendeel, Orthocenter heeft erkend dat [verweerder] gedurende de jaren dat hij statutair bestuurder was zijn taak als operationeel directeur naar tevredenheid van de RvC heeft verricht en dat dit hem jarenlang bonussen heeft opgeleverd.”
Het subonderdeel beroept zich ter onderbouwing op de stelling dat Orthocenter wel degelijk heeft gesteld dat [verweerder] zijn werkzaamheden als bestuurder heeft verzaakt op de volgende twee passages uit de gedingstukken:
de taken die hem waren toebedeeld in zijn functie als statutair directeurzoals onder meer blijkt uit het rapport Grant Thornton
aantoonbaar niet heeft verricht” [cursivering, A-G]. Daarop volgen in die passage slechts enkele generieke, niet in tijd geplaatste opmerkingen inzake praktijkbezoek en uitvoeren van audits. Het kennelijke oordeel van het hof in rov. 3.7 dat Orthocenter daarmee niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld (en dat evenmin gebleken is) dat [verweerder] zijn directiewerkzaamheden niet of niet naar behoren verrichtte, [96] is geenszins onbegrijpelijk, mede in het licht van de in rov. 3.4 uiteengezette taak van [verweerder] als statutair directeur, [97] het in rov. 2 onder (xxi) gememoreerde (zie ook onder 1.21), voornoemde vaststelling in rov. 3.7, en het gegeven dat onbehoorlijk bestuur niet licht wordt aangenomen. [98] De vooropstelling in de tweede passage dat “[u]it het rapport van Grant Thornton blijkt dat [verweerder] zijn werkzaamheden als bestuurder van Orthocenter in de betreffende jaren heeft verzaakt”, wordt in het vervolg door Orthocenter niet uitgewerkt of onderbouwd. Daarop is het voorgaande eveneens van toepassing. In het vervolg van die passage verplaatst het zwaartepunt zich naar de (ook blijkens de eerste zin van die passage) te onderscheiden stelling van Orthocenter, erop neerkomend dat [verweerder] de invalwerkzaamheden heeft verricht op dagen waarop hij ingevolge de arbeidsovereenkomst statutair directeur belast was met directiewerkzaamheden. Dáárop respondeert het hof evenwel eerder in rov. 3.7, in cassatie onbestreden.
Op het voorgaande loopt de klacht stuk. Ik wijs er overigens nog op dat, zoals ook blijkt uit de weergave van deze passages, de daarin opgenomen stellingen gebaseerd zijn op het rapport van Grant Thornton van 28 juni 2013. [99] Het hof heeft vastgesteld (rov. 2, onder (xxvii), zie ook onder 1.27) dat het onderzoek dat aan dit rapport ten grondslag ligt tot doel had “vast te stellen in hoeverre de aan [verweerder] over (vooralsnog) 2007 tot en met 2011 betaalde vergoedingen in overeenstemming zijn met het/de arbeidscontract(en) van [verweerder] en/of andere geldende overeenkomsten, één en ander in relatie tot de door [verweerder] geleverde prestaties, teneinde inzicht te krijgen in mogelijk teveel betaalde vergoedingen en deze terug te kunnen vorderen dan wel te verrekenen of te berusten in de betaalde vergoedingen” en dat de onderzoeksperiode van 2007 t/m 2011 is teruggebracht tot de jaren 2010 en 2011. Deze periode lag (goeddeels) vóór het omslagpunt waarop de positie van [verweerder] ter discussie werd gesteld. [100]