Conclusie
toekomstigeeinddatum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt (art. 7:683 lid 6 BW Pro). In cassatie is de principiële en voor de rechtspraktijk belangrijke vraag aan de orde of in dat geval – zoals het hof in deze zaak heeft geoordeeld – aan de werknemer zijn volledige loonaanspraak kan worden ontzegd op grond van de risicoregeling in art. 7:627 en Pro 7:628 lid 1 BW.
1.Feiten
Het feit dat u gelogen heeft toen u op woensdag 7 oktober 2015 werd aangesproken op het vermoeden van het in het bezit hebben van bedrijfseigendommen maakt dat wij ons door u enorm benadeeld voelen. U loog over het bij u hebben van een auto, vervolgens werd u agressief en wilde u proberen weg te rijden waarop u tegengehouden bent, aansluitend weigerde u de kofferbak open te maken en daarna loog u over hoe u de drie boeken in het bezit heeft gekregen.”
2.Procesverloop
- de opzegging van 7 oktober 2015 te vernietigen;
- voor recht te verklaren dat aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen einde is gekomen;
- [verweerster] te veroordelen tot betaling van het aan [verzoeker] toekomende loon ter hoogte van € 2.213,52 bruto per maand over de periode vanaf 7 oktober 2015 tot aan het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig een einde is gekomen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro ter hoogte van 50%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage en te vermeerderen met de wettelijke rente;
- te bepalen dat [verweerster] ook aan alle overige verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst jegens [verzoeker] dient te blijven voldoen vanaf 7 oktober 2015 tot het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
- [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, waaronder het salaris van gemachtigde.
- [verzoeker] op grond van art. 7:677 lid 2 BW Pro te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.259,09 bruto;
- de tussen [verzoeker] en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd op 7 oktober 2015, te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond (art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW) dan wel de tussen [verzoeker] en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst onvoorwaardelijk te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond (art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW);
- bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verzoeker] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden, nu de ontbinding het gevolg is ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , althans bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking;
- te bepalen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van [verweerster] ;
- [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van gemachtigde daaronder begrepen.
- [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te bepalen dat [verweerster] ook aan alle overige verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst jegens hem dient te blijven voldoen vanaf 7 oktober 2015 tot het einde van het dienstverband;
- het door [verweerster] aan [verzoeker] op 7 oktober 2015 gegeven ontslag op staande voet vernietigd en voor recht verklaard dat aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen einde is gekomen;
- [verweerster] veroordeeld tot betaling van het aan [verzoeker] toekomende loon van € 2.213,51 bruto per maand, vanaf 7 oktober 2015 tot het rechtsgeldig einde van het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over de op de uitspraakdatum opeisbare loontermijnen, voor zover deze verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro verschuldigd is geraakt en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2015;
- het meer of anders verzochte afgewezen;
het principaal hoger beroepoordeelt het hof dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt op 31 mei 2017 en dat de beschikking van de kantonrechter van 12 augustus 2016 wordt vernietigd voor zover het de onder 3.3 van het dictum vermelde veroordeling van [verweerster] betreft om aan [verzoeker] loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen en voor zover het de onder 3.6 van het dictum vermelde proceskostenveroordeling betreft. Het hof beschikt in zoverre opnieuw:
- verklaart voor recht dat [verzoeker] over de periode vanaf 7 oktober 2015 tot 31 mei 2017 geen aanspraak kan maken op loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente;
- veroordeelt [verzoeker] om al hetgeen [verweerster] ter uitvoering van de beschikking van 12 augustus 2016 aan [verzoeker] meer heeft moeten betalen dan zij op grond van deze beschikking van het hof verschuldigd is, binnen tien dagen na betekening van de beschikking aan [verweerster] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [verweerster] aan [verzoeker] tot aan de dag van de algehele terugbetaling door [verzoeker] aan [verweerster] ;
- veroordeelt [verzoeker] aan [verweerster] een bedrag van € 4.259,09 bruto te voldoen als vergoeding bedoeld in art. 7:677 lid 2 jo Pro. lid 3 aanhef en sub a BW.
- verklaart voor recht dat [verweerster] als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] niet aan hem de transitievergoeding als bedoeld in art. 7:673 BW Pro verschuldigd is;
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van de beide instanties;
- verklaart de beschikking, voor zover het (betalings)veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1dat de beslissingen van het hof in rov. 2.23 (i) dat [verzoeker] in het geheel geen aanspraak kan maken op loon over de periode vanaf het hem gegeven ontslag op staande voet – dat door de kantonrechter vernietigd is – tot aan de datum waartegen het hof de arbeidsovereenkomst alsnog heeft beëindigd, omdat [verzoeker] de bedongen arbeid in die periode niet heeft verricht als gevolg van zijn eigen handelwijze, te weten: het geven van een dringende reden aan [verweerster] ; en (ii) dat geen sprake is van een situatie waarin de arbeid niet is verricht als gevolg van een omstandigheid die op grond van art. 7:628 BW Pro in redelijkheid voor rekening van [verweerster] behoort te komen, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. Deze klachten worden nader uitgewerkt in de
subonderdelen 1a tot en met 1d.
4.Juridisch kader
wetsgeschiedenis en rechtspraak duidelijk maken dat een zeer korte tijdspanne tussen de opzegging en de ontslagmededeling is toegestaan”. [9] De wettelijke eis van gelijktijdige mededeling gold dus in feite niet. Met de nieuwe bewoordingen is derhalve geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar codificatie van de onder het oude recht op dit punt ontwikkelde rechtspraak.
Zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.” Lid 2 bevat een niet-limitatieve opsomming van situaties waarin een dringende reden geacht kan worden aanwezig te zijn. Deze niet-limitatieve opsomming brengt tot uitdrukking, zoals Houweling e.a. schrijven, dat enerzijds een dringende reden niet aanwezig behoeft te zijn, ook al valt een daad, eigenschap of gedraging van de werknemer onder een van de onderwerpen van de opsomming, en dat anderzijds een dringende reden aanwezig kan zijn zonder vermelding van het geval in de opsomming. [10] Lid 3 houdt in dat de werkgever niet kan bedingen dat een bepaalde gedraging van de werknemer een dringende reden oplevert. Geen van deze artikelleden zijn met de inwerkingtreding van de Wwz gewijzigd. In de wetsgeschiedenis is de bepaling ook niet aan de orde gekomen.
in hoger beroepwordt geoordeeld dat de kantonrechter het ontslag op staande voet
ten onrechteheeft vernietigd, vormt (mede) de inzet van de onderhavige cassatieprocedure.
met terugwerkende krachttot de ontslagdatum werd beëindigd. Eventuele loonbetalingen gedurende de periode tussen de datum van de opzegging en de beslissing in hoger beroep kon de werkgever dan in beginsel als onverschuldigd betaald van de werknemer terugvorderen. Achteraf beschouwd bestond voor die loonbetalingen immers geen grondslag, nu de arbeidsovereenkomst per de ontslagdatum rechtsgeldig was beëindigd. [14] De Wwz geeft op dit punt echter een belangrijke wijziging (zie hierna onder 4.3.3).
ten onrechte is toegewezenof een verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen, bepaalt art. 7:683 lid 3 BW Pro dat de rechter de werkgever kan veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen.
ten onrechte is afgewezen, houdt art. 7:683 lid 5 BW Pro in dat de rechter dan bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
ten onrechte is toegewezen, houdt art. 7:683 lid 6 BW Pro in dat de rechter dan bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
In het derde lid wordt voorgesteld welke twee mogelijkheden er zijn als de appel- of cassatierechter tot het oordeel komt dat een ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is toegewezen of een verzoek tot vernietiging van de opzegging of herstel van de arbeidsovereenkomst van de werknemer ten onrechte is afgewezen. Hij kan – de eerste mogelijkheid – de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen. De rechter is daarbij vrij om te bepalen met ingang van welke datum hij de overeenkomst herstelt. Herstel van de arbeidsovereenkomst kan hij uitsluitend gelasten als de werknemer daarom in appel heeft verzocht. Doet hij dit, dan zal hij tevens voorzieningen moeten treffen voor een eventuele tussenliggende periode, aansluitend bij het specifieke geval.
toegewezen– anders dan voorheen – niet de beslissing van de kantonrechter tot vernietiging van de opzegging kan terugdraaien, waardoor de opzegging van de arbeidsovereenkomst zou herleven. In plaats daarvan moet de appel- of verwijzingsrechter bepalen op welk
toekomstigtijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Het gevolg hiervan is dat als de appel- of verwijzingsrechter tot het oordeel komt dat de werkgever terecht de werknemer op staande voet heeft ontslagen, de arbeidsovereenkomst
tochvoortduurt, namelijk tot aan het moment (dat is gelegen op of ná de beslissing van het hof) dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Dit betekent dat de werkgever in beginsel loon zal zijn verschuldigd over deze periode, ondanks dat het hof van oordeel is dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. [19]
afgewezen(en de arbeidsovereenkomst dus beëindigd blijft), de arbeidsovereenkomst wél met terugwerkende kracht kan worden hersteld (art. 7:683 lid 3 BW Pro). [24] Een werknemer kan dus wel verzoeken om het met terugwerkende kracht herstellen van de arbeidsovereenkomst, maar een werkgever kan niet verzoeken om beëindiging van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht. Hiermee is een onevenwichtigheid ontstaan tussen het procesrisico van enerzijds werkgever en anderzijds werknemer. [25]
gegeven. Inderdaad is het zo dat een werkgever in situaties als hier bedoeld wordt geconfronteerd met een loonvordering van de werknemer over de periode vanaf het ontslag tot aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof. Maar men kan dit ook zien als een logisch gevolg van het systeem van hoger beroep zoals dat onder de Wwz is vormgegeven. Hoger beroep tegen rechterlijke uitspraken brengt nu eenmaal mee dat partijen gedurende een langere tijd in onzekerheid verkeren over hun rechtspositie, mét de daaraan verbonden financiële risico’s. Het is onvermijdelijk dat de appelrechter tot een ander oordeel over het ontslag op staande voet kan komen dan de kantonrechter (het ontslag kan achteraf zowel toch terecht als achteraf toch niet terecht worden bevonden), en het is eveneens onvermijdelijk dat dit gegeven voor zowel werknemer als werkgever vervelende consequenties kan hebben, als achteraf over een lange periode loon moet worden terugbetaald óf alsnog loon moet worden betaald. Gegeven het feit dat tegen alle ontslagbeschikkingen hoger beroep openstaat, moet misschien gewoon worden aanvaard dat in een geval als het onderhavige, uitgangspunt is dat de werkgever gehouden is het loon van de werknemer te betalen over de gehele periode vanaf het ontslag tot aan het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Mediant-beschikking beslist dat een voorwaardelijk verzoek om ontbinding onder de Wwz nog steeds mogelijk is. Een dergelijk verzoek kan echter alleen worden gedaan onder de voorwaarde dat het ontslag op staande voet in
dezelfde instantiewordt vernietigd. De Hoge Raad heeft het niet mogelijk geacht dat aan de kantonrechter verzocht wordt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken, óók voor het geval de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, oordeelt dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en hij de werkgever veroordeelt de arbeidsovereenkomst te herstellen (art. 7:683 lid 3 BW Pro). [29] Dat zou namelijk leiden tot een beperking van de beslissingsruimte van de appelrechter (zie rov. 3.13.1 van de
Mediant-beschikking).
Mediant-beschikking, een dergelijk verzoek op beperktere schaal toewijsbaar dan het geval was onder het tot 1 juli 2015 geldende recht. Voorheen kon het voorwaardelijke ontbindingsverzoek zich namelijk wel uitstrekken tot vernietiging van het ontslag op staande voet in hoger beroep of cassatie. Thans zal in appel moeten worden verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval de appelrechter van oordeel is dat de opzegging niet rechtsgeldig was. Dat dit mogelijk is, heeft de Hoge Raad verduidelijkt in de
Vlisco-beschikking. [30]
eersteplaats houdt de tekst van art. 7:683 lid 6 BW Pro níet in dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst per een toekomstige datum moet plaatsvinden. In de
tweedeplaats lijkt het erop dat de passage in de memorie van toelichting waarin is vermeld dat de rechter een toekomstige datum voor beëindiging moet bepalen (zie onder 4.3.4), voornamelijk in de sleutel staat van de situatie waarin de appel- of verwijzingsrechter beslist tot
ontbindingvan de arbeidsovereenkomst, na een eerdere afwijzing daarvan door de kantonrechter. Dat daarop in de memorie van toelichting expliciet is ingegaan, is niet zo gek, schrijft Houweling, omdat juist de mogelijkheid van hoger beroep tegen een ontbindingsbeschikking een noviteit van de Wwz is. Bovendien past een verbod op terugwerkende kracht bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst; dat dit niet is toegestaan, gold ook al onder het oude recht. [36] Een
derdeargument is dat de reden die in de bewuste passage in de memorie van toelichting wordt gegeven voor het niet mogen bepalen van een einddatum van de arbeidsovereenkomst in het verleden, namelijk dat dit door het nieuwe stelsel niet is beoogd, niet overtuigt. Het ‘niet beoogd zijn’ is geen inhoudelijk argument. Houweling wijst in dit verband ook op de hiervoor onder 4.4.2 reeds genoemde asymmetrie met de situatie waarin de werknemer in hoger beroep gelijk krijgt, en de appelrechter de arbeidsovereenkomst wél met terugwerkende kracht kan herstellen. Voorts schrijft hij dat in het geval een werknemer – anders dan in het onderhavige geval – wel aan het werk is gegaan na een aanvankelijke vernietiging van de opzegging door de kantonrechter, een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat als in hoger beroep de arbeidsovereenkomst alsnog wordt beëindigd per een in het verleden liggende datum. Op die manier kan de situatie worden ‘rechtgetrokken’. Een
vierdeargument is dat er geen andere passages in de wetsgeschiedenis zijn waarin iets wordt gezegd over ‘het bepalen van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt’. Meer in het bijzonder geldt dat nergens nader is ingegaan op het niet met terugwerkende kracht kunnen beëindigen van de arbeidsovereenkomst, nadat in hoger beroep is geoordeeld dat de beslissing van de kantonrechter tot vernietiging van de opzegging niet terecht was. Ten
vijfde, zo zou ik nog willen toevoegen, uit de parlementaire geschiedenis blijkt níet dat beoogd is om bij een door het hof terecht bevonden ontslag op staande voet de werkgever te verplichten het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst door het hof is beëindigd, in het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet heeft vernietigd.
wettekstniet in de weg lijkt te staan aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tegen een tijdstip dat gelegen is vóór de uitspraak van het hof, is het niet zo duidelijk waarom een uitlating van de regering over de strekking of de bedoeling van een wettelijke bepaling, voorrang zou moeten hebben op de tekst van die bepaling zélf. “
Zodra wetten in werking zijn getreden, dienen ze op eigen benen te kunnen staan”, zoals Vranken het uitdrukt. [37]
5BW), in de
Decor-beschikking reeds is beslist dat de appelrechter vrij is om het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt te bepalen, mits het gaat om een in de toekomst gelegen tijdstip. [41] Ditzelfde zal hebben te gelden voor het bepalen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt op de voet van art. 7:683 lid Pro
6BW.
geen arbeid, geen loon, tenzij’). Een andere uitzondering op de hoofdregel is te vinden in art. 7:629 BW Pro. Op grond van deze bepaling is de werkgever verplicht het loon bij ongeschiktheid als gevolg van ziekte gedurende 104 weken door te betalen. Deze uitzondering zal in deze conclusie verder buiten beschouwing blijven.
risicosfeervan de werkgever dan in die van de werknemer ligt. Oorzaken van het niet verrichten van de overeengekomen arbeid die worden geacht in de risicosfeer van de werknemer te liggen zijn bijvoorbeeld deelname aan een staking, onwettig verzuim, te laat op het werk verschijnen, gevangenisstraf of voorlopige hechtenis. [43] De ontwikkeling in de jurisprudentie laat zien dat steeds meer oorzaken voor rekening van de
werkgeverzijn gebracht. [44]
Van der Gulik/Vissersheeft de Hoge Raad geoordeeld dat een schorsing of een op non-actiefstelling ‘
een oorzaak is die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen’, zodat de werkgever op grond van art. 7:628 lid 1 BW Pro verplicht is het loon door te betalen. Dit is volgens de Hoge Raad óók het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en de schorsing of op non-actiefstelling aan de werknemer zelf is te wijten: [47]
3.5 Ingevolge art. 7:628 lid 1 behoudt Pro de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is ‘een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen’ in de zin van lid 1, zodat de werkgever ook tijdens een schorsing of een op non-actiefstelling verplicht is tot doorbetaling van loon. Dat is ook het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en de schorsing of op non-actiefstelling aan de werknemer zelf is te wijten. De werkgever kan zich immers, zolang de arbeidsovereenkomst bestaat, niet eenzijdig aan de verplichting tot loonbetaling onttrekken, ook niet ingeval het gedrag van de werknemer grond voor schorsing of op non-actiefstelling oplevert. Een (tijdelijke) inbreuk op deze grond op het recht van de werknemer op loon, en derhalve een schorsing of op non-actiefstelling met inhouding van loon, is alleen mogelijk, indien naar luid van het in dit geding toepasselijk lid 5 (oud) van art. 7:628 van Pro dit artikel is afgeweken bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement. Nu de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat van zulk een afwijking geen sprake is, is de Rechtbank derhalve in de rov. 3.5 en 3.6 van haar tussenvonnis en in rov. 3.4 van haar eindvonnis uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Van der Gulik/Vissers, dat de werkgever ook tijdens een schorsing of op non-actiefstelling verplicht is tot doorbetaling van loon, is niet los te zien van het ontbreken van een wettelijke basis voor schorsing of op non-actiefstelling (zonder loonbetaling). De kernoverweging van het arrest is dan ook, zo lijkt mij, dat de werkgever ‘
zich niet eenzijdig aan de verplichting tot loonbetaling kan onttrekken’. Dat dit anders ligt indien er bij schriftelijke overeenkomst of reglement wél een grondslag is voor schorsing zonder loonbetaling, is daarvan de keerzijde. Als men zou aanvaarden dat schorsing of op non-actiefstelling zonder doorbetaling van loon wél mogelijk is, betekent dat in feite dat de rechtsbescherming die het ontslagrecht biedt aan de werknemer, door de werkgever eenzijdig terzijde kan worden geschoven. Met andere woorden, de arbeidsovereenkomst zou dan ‘
zonder verdere plichtplegingen de facto [kunnen] worden beëindigd”. [49] Men zou het niet doorbetalen van het loon tijdens schorsing ook kunnen zien als het opleggen van een boete, die dan echter zonder grondslag wordt opgelegd. [50] Ook dat wringt. In zijn conclusie voor het arrest formuleerde A-G Verkade de bezwaren tegen het niet doorbetalen van loon bij schorsing als volgt:
Van der Gulik/Vissers, dat de werkgever tijdens een schorsing of op non-actiefstelling van de werknemer in beginsel verplicht is het loon door te betalen, sloot destijds aan bij de heersende rechtsopvatting. [51] Inhouding van loon tijdens schorsing of op non-actiefstelling was slechts mogelijk als dit schriftelijk overeengekomen was: volgens het voor de zaak
Van der Gulik/Visserstoepasselijke art. 7:628 lid 5 BW Pro (oud) kon van de regels van art. 7:628 BW Pro ten nadele van de werknemer alleen worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst (daaronder begrepen bij cao) of reglement. [52] Hiermee was het mogelijk om in een individuele arbeidsovereenkomst overeen te komen dat de werknemer kon worden geschorst zonder behoud van loon.
individueeleen schorsing of op non-actiefstelling met inhouding van loon overeen te komen, was sinds 1999 dus al praktisch uitgesloten. Een dergelijke afwijking ten nadele van de werknemer was nog wel onbeperkt mogelijk bij cao.
voor bij die overeenkomst of regeling te bepalen functies”, “
mits de aan die functies verbonden werkzaamheden incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang hebben”. [57] Blijkens de memorie van toelichting gaat het hierbij bijvoorbeeld om invalkrachten. [58] Zoals vermeld, kon onder het oude recht na het verstrijken van de zes maanden als bedoeld in lid 5
onbeperkt [59] bij cao of publiekrechtelijke regeling ten nadele van de werknemer worden afgeweken van het bepaalde in art. 7:628 lid 1 BW Pro. Het per 1 januari 2015 geldende aanvullende vereiste dat het moet gaan om incidentele werkzaamheden zonder vaste omvang vormt dus een forse inperking van de afwijkingsmogelijkheid bij cao. [60] Met deze beperking is beoogd het gebruik van nuluren- en min/maxcontracten terug te dringen. [61] Art. 7:628 lid 8 BW Pro regelt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op verzoek van de Stichting van de Arbeid, kan bepalen dat op de leden 5, 6 of 7 op bepaalde bedrijfstakken of onderdelen daarvan niet van toepassing is. Tot slot bepaalt art. 7:628 lid 9 BW Pro dat elk beding dat ten nadele van de werknemer afwijkt van het bepaalde in art. 7:628 BW Pro nietig is.
gedeeltelijkeloonuitsluiting. [63] Ook volgens Bij de Vaate is loonuitsluiting met toepassing van art. 7:628 BW Pro mogelijk. [64] Anderen betwijfelen of deze route begaanbaar is, gelet op het arrest
Van der Gulik/Vissers. Volgens Van der Kind is dat waarschijnlijk niet het geval; hij adviseert werkgevers dan ook om ter beperking van het loonrisico liever te kiezen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan voor een ontslag op staande voet. [65] In het handboek van Loonstra & Zondag is te lezen dat ‘het erop lijkt’ dat de werkgever in een dergelijke situatie enkel een beroep kan doen op art. 7:680a BW (matiging van de loonvordering). [66] Verhulp meent dat het weliswaar vreemd is dat de werknemer bij een achteraf terecht ontslag op staande voet loon ontvangt na de datum waarop dat ontslag is verleend, zeker als hij geen arbeid heeft verricht, maar dat er toch onvoldoende reden is om ‘om te gaan’ (ten opzichte van
Van der Gulik/Vissers) en de loonvordering af te wijzen. [67] Hij voegt daar echter direct aan toe dat ‘dit tot zeer onbevredigende resultaten kan leiden’, zeker ‘in een geval waarin de kantonrechter zich echt lijkt te vergissen’. Ten slotte stelt Fruytier zich op het standpunt dat een wetswijziging noodzakelijk is. [68]
de eerste periode), en de periode tussen de beslissing van de kantonrechter en het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof (
de tweede periode).
tweede periode.Na de vernietiging door de kantonrechter van de opzegging, was het ontslag op staande voet van tafel en is de arbeidsovereenkomst herleefd. De werkgever had de werknemer derhalve moeten toelaten tot het werk en hem het loon moeten doorbetalen. In strijd met de rechterlijke uitspraak heeft de werkgever de werknemer echter (feitelijk) geschorst, waardoor de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft kunnen verrichten. Als zou worden aanvaard dat het niet verrichten van de overeengekomen arbeid over deze periode voor risico van de werknemer dient te komen, wordt de werkgever ‘beloond’ voor het negeren van de uitspraak van de kantonrechter. De betekenis van de uitspraak van de kantonrechter zou daarmee worden uitgehold. De werkgever had uit hoofde van die rechterlijke uitspraak de werknemer immers gewoon moeten toelaten tot het werk, los van de vraag of hij hoger beroep instelt tegen de beschikking.
Van der Gulik/Vissers, dat de werkgever zich niet eenzijdig aan zijn verplichting tot loonbetaling kan onttrekken. Het moge zo zijn dat het hof later oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Dat doet er echter niet aan af dat
nade uitspraak van de kantonrechter de werknemer had moeten worden toegelaten tot het werk. Door geen gevolg te geven aan deze uitspraak, creëert de werkgever, in strijd met de rechterlijke uitspraak, een situatie waarin de werknemer de arbeid niet meer kan verrichten. Naar mijn mening is daarmee sprake van een situatie waarin het niet verrichten van de arbeid het gevolg is van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen.
de factoertoe leidt dat terugwerkende kracht wordt verleend aan de beslissing van de appelrechter (zie voor dit argument ook het cassatieverzoekschrift onder xxi en xxii). [69] Immers, formeel is de arbeidsovereenkomst in stand gebleven, maar materieel heeft de werknemer daar niets aan omdat hij geen loon krijgt. Zoals hiervoor is opgemerkt (zie onder 4.6.3), dient er vanuit te worden gegaan dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 7:683 lid 6 BW Pro op één lijn moet worden gesteld met ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter. Dat verdraagt zich niet met terugwerkende kracht van die beëindiging.
eerste periodegeldt het volgende. Voorop te stellen is dat de schorsingsjurisprudentie hier niet van toepassing is, omdat na het ontslag op staande voet geen sprake meer was van een arbeidsovereenkomst en dus ook niet van schorsing. In het cassatieverzoekschrift (onder punt 10) wordt betoogd dat voor deze periode aanspraak bestaat op doorbetaling van loon, omdat volgens vaste rechtspraak een vernietigd ontslag op staande voet altijd voor risico van de werkgever komt (zie onder 4.7.5 en 4.2.3). Dat deze rechtspraak onverkort van toepassing in een geval als het onderhavige, lijkt mij echter niet vanzelfsprekend. Deze rechtspraak is immers ontwikkeld onder het oude recht, voor gevallen dat hetzij geen hoger beroep werd ingesteld tegen de vernietigingsbeschikking, hetzij het hof alsnog de opzegging vernietigde. Het onderhavige geval kenmerkt zich er echter door dat later, in hoger beroep, alsnog wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet wel terecht was. Het hof heeft echter niet de bevoegdheid om de beschikking van de kantonrechter op dit punt te vernietigen. Daarmee is formeel wel, maar materieel gezien níet sprake van een vernietigd ontslag. De vraag is daarmee veeleer of moet worden aangenomen dat het niet verrichten van arbeid als gevolg van een ontslag dat in hoger beroep rechtsgeldig wordt geacht, ook al heeft de kantonrechter eerder het ontslag vernietigd, voor risico van de werkgever dient te komen.
materieeltot het oordeel komt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, achteraf bezien het niet verrichten van de arbeid door de werknemer
niethet gevolg is van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Het is immers het eigen handelen van de werknemer geweest dat geleid heeft tot het – achteraf terechte – ontslag op staande voet van de werknemer.
anderantwoord wordt gegeven. Er zou dan een splitsing worden gemaakt tussen een periode waarover niet en een periode waarover het loon wel verschuldigd is. Dat leidt tot een gecompliceerde en daarmee weinig aantrekkelijke oplossing. Om deze reden wil ik bepleiten dat ook voor de eerste periode wordt aangenomen dat het niet kunnen verrichten van de arbeid het gevolg is van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een extra argument voor deze benadering is dat deze het meeste aansluit bij de in de memorie van toelichting neergelegde gedachte van de wetgever, dat na een vernietiging van de opzegging door de kantonrechter, de arbeidsovereenkomst voortduurt totdat in hoger beroep of na verwijzing anders is beslist. [70] Dit zou een tamelijk inhoudsloze gedachte zijn als zij niet ook betekent dat de werknemer aanspraak heeft op loon, totdat de arbeidsovereenkomst in hoger beroep of na verwijzing is beëindigd. Dat betekent dat ook over de eerste periode recht bestaat op doorbetaling van loon.
Van der Gulik/Vissers) toegepast moet worden als het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet heeft vernietigd, is een complicatie ontstaan doordat de Wwz ook een wijziging inhoudt van de artikelen 7:627 en 7:628 BW. Deze wijziging is echter nog niet ingevoerd. De discussie over de actuele betekenis van de schorsingsjurisprudentie is met name ontstaan door uitlatingen hierover van de regering tijdens het wetgevingsproces. Om een volledig beeld te geven van de discussie over de onderhavige vraag zal ik in het navolgende ingaan op de voorgestelde wijziging van de loonrisicoregeling, de uitlatingen daarover van de regering en de minister, alsmede de commentaren daarop in de literatuur.
Van der Gulik/Vissers. In de derde plaats hebben geen van de uitlatingen van de regering betrekking op de thans voorliggende kwestie (loonbetaling nadat het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet heeft vernietigd). Ten slotte kan men zich afvragen of er een rol is weggelegd voor de regering bij het geven van uitleg aan arresten van de Hoge Raad. Die uitleg zal de Hoge Raad zelf moeten geven.
nietin werking getreden – is beoogd art. 7:627 BW Pro te laten vervallen en de tekst van art. 7:628 lid 1 BW Pro aan te passen. [71] Verder is een nieuw lid 9 aan art. 7:628 BW Pro toegevoegd, [72] onder vernummering van het huidige lid 9 tot lid 10. De beoogde datum van de wijziging van de artikelen 7:627 en 7:628 lid 1 BW was aanvankelijk 1 april 2016. Vanwege discussie over de zogenoemde Calamiteitenregeling WW, waarmee de wijziging samenhangt, is deze datum niet gehaald en is de invoering van die regeling met een half jaar uitgesteld tot 1 oktober 2016. [73] Ook deze datum is niet gehaald. [74] De datum van inwerkingtreding van de Calamiteitenregeling WW en – gelet op het nauwe verband daarmee – de wijziging van art. 7:627 en Pro 7:628 lid 1 BW is op dit moment nog onzeker. Volgens sommigen is het maar de vraag of de nieuwe risicoregeling überhaupt ingevoerd gaat worden. [75]
Voorgesteld wordt om artikel 7:627 BW Pro te laten vervallen en artikel 7:628 BW Pro zodanig te wijzigen dat in het eerste lid daarvan wordt geregeld dat de werkgever verplicht is om het vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer hoort te komen.Hiermee wordt wat er nu in de artikelen 7:627 en 7:628 BW, eerste lid, is geregeld in één artikel geregeld (7:628, eerste lid, BW) zonder dat dit in de praktijk tot een wezenlijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer zal leiden. Zo zal het in de toekomst nog steeds zo zijn dat deelname aan een staking (te onderscheiden van de werkwillige die verhinderd wordt te werken als gevolg van de staking), onwettig verzuim, te laat op het werk verschijnen, gevangenisstraf of voorlopige hechtenis voor risico van de werknemer komen. Bij één en ander wordt benadrukt dat de uitvoerige cassatierechtspraak rond de onderhavige risicoregeling – onder meer op het punt van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer – onder het nieuw voorgestelde recht onverkort van kracht blijft. Op grond van de voorgestelde formulering zal het aan de werkgever zijn om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt. Deze wijzigingen zijn wenselijk in het licht van de toekomstige incorporatie van de zogenoemde Calamiteitenregeling WW in het BW en zullen tegelijkertijd inwerking treden met deze regeling (1 april 2016). Ter toelichting het volgende.
de werkgeverdient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat (i) bij de werknemer de bereidheid ontbrak de overeengekomen arbeid te verrichten en dat (ii) het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van
de werknemerbehoort te komen.
geen arbeid, geen loon’ in: ‘
geen arbeid, wél loon, tenzij’. [77] Daarnaast wijzigt de bewijslastverdeling. Onder het huidige recht is het immers de werknemer die moet stellen en bewijzen dat hij bereid is de arbeid te verrichten. [78] Ook is het thans de werknemer die moet stellen en bewijzen dat de oorzaak van het niet-werken in de risicosfeer van de werkgever ligt. [79] Denkbaar is dan ook dat het niet verrichten van arbeid voortaan eerder voor rekening van de werkgever zal komen. [80]
Naar aanleiding hiervan merkt de regering op dat door de gewijzigde formulering van artikel 7:628, eerste lid, BW de werkgever gehouden is het loon te betalen, tenzij het niet verrichten van de bedongen arbeid redelijkerwijs voor risico van de werknemer komt. In situaties van schorsing door de werkgever biedt het wetsvoorstel dan ook ruimte om over de periode waarin de werknemer bij wijze van disciplinaire maatregel is geschorst, tevens het loon niet betalen omdat dit dan redelijkerwijs voor risico van de werknemer komt. Dat impliceert dat over disciplinaire maatregelen ook bij schriftelijke overeenkomst (individueel of collectief) afspraken kunnen worden gemaakt, zonder dat zulks uitdrukkelijk bij wet is bepaald. Dergelijke afspraken dienen dan slechts ter invulling en bevestiging van hetgeen in de wet al is afgesproken over de risicoverdeling en gelden niet als afwijking daarvan. Uiteindelijk is en blijft het aan de rechter om te beoordelen of bij een specifieke schorsing dan ook daadwerkelijk sprake was van een niet verrichten van de bedongen arbeid door een oorzaak die redelijkerwijs voor risico van de werknemer behoort te komen. In dit verband merkt de regering overigens op dat het standpunt dat een werkgever in geval van schorsing, om redenen waarvan de gevolgen redelijkerwijs voor rekening van de werknemer behoren te komen, niet verplicht is het loon te betalen al eerder van regeringswege is ingenomen, namelijk door de toenmalige regering bij gelegenheid van de Reparatiewet Flexibiliteit en Zekerheid [85] ”.
Van der Gulik/Vissersexpliciet aan de orde te stellen. Voor de volledigheid geef ik hieronder zowel de vraag van de VAAN als het antwoord van de regering weer: [86]
De VAAN verwijst naar pagina 101 van de memorie van antwoord waar wordt opgemerkt dat het voorgestelde artikel 7:628, zevende lid, BW niet in de weg staat aan afspraken – zowel individueel als bij cao – die het voor de werkgever mogelijk maken de werknemer zonder behoud van loon te schorsen, omdat een schorsing bij wege van disciplinaire maatregel in redelijkheid voor risico van de werknemer komt. De regering wijst er daarbij op dat dit standpunt al eerder van regeringswege is ingenomen, namelijk bij gelegenheid van de reparatiewet flexibiliteit en zekerheid. De VAAN vraagt hoe deze opvatting zich verhoudt tot het – van na de Reparatiewet flexibiliteit en zekerheid daterende – arrest Van der Gulik/Vissers & Partners van de Hoge Raad (HR 21 maart 2003, JAR 2003/91), waarin is geoordeeld dat een schorsing steeds voor rekening van de werkgever komt, óók indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen en de schorsing aan de werknemer zelf is te wijten.
Van der Gulik/Vissersonder het thans geldende recht dan wel na de (toekomstige) inwerkingtreding van het gewijzigde art. 7:628 lid 1 BW Pro nog onverkort van toepassing is. Volgens Dekker geldt de leer uit het arrest
Van der Gulik/Vissersnog steeds: [88]
NJ-noot onder de
Vlisco-beschikking schrijft hij: [89]
(…) Wat het ontbreken van recht op loon bij schorsing betreft, wordt eerst het arrest Van der Gulik/Vissers ‘vergeten’. Vervolgens wordt gesteld dat de nieuwe wettekst inhoudt dat werknemers in geval van schorsing hun recht op loon niet (zonder meer) behouden. Volstrekt duister blijft welk element uit de nieuwe tekst tot die conclusie leidt. Een staaltje van ‘wishful wetgeven’? Sowieso bevreemdt deze uitlating, omdat de Tweede Kamer is verteld dat er niets zou veranderen.”
Van der Gulik/Visserssinds de inwerkingtreding van het per 1 januari 2015 gewijzigde art. 7:628 lid 7 BW Pro (zie onder 4.7.11) is achterhaald, althans niet meer als een paal boven water staat. Houweling e.a. stellen dat de rechtsregel uit
Van der Gulik/Vissersmet de Wwz “op losse schroeven is komen te staan”. Zij leiden uit de antwoorden van de regering op vragen van de VAAN af dat: [92]
Van der Gulik/Vissersachterhaald is: [93]
De enkele stelligheid van een betrokken minister tijdens een wetgevingsproces dat specifieke Hoge Raad-rechtspraak in de toekomst buiten beschouwing dient te blijven maakt nog niet dat de betreffende rechtsregel daadwerkelijk niet meer geldt. Dat is echter anders indien de wetgever op dat punt ook daadwerkelijk de wet wijzigt. En dat is gebeurd: de Wwz heeft de wet op dit punt gewijzigd. Niet door letterlijk in de wet op te nemen dat “schorsing ook voor rekening van de werknemer kan komen” (die mogelijkheid volgt immers al uit de in de wet opgenomen risicoverdeling), maar wel omdat de mogelijkheid om de loonbetalingsverplichting bij cao ook na zes maanden uit te sluiten is afgeschaft. Die mogelijkheid tot uitsluiting bij cao was een dragend argument van de Hoge Raad in Van der Gulik/Vissers. Kortom: de wetgever heeft de wet gewijzigd op een relevant punt met betrekking tot mogelijke loondoorbetalingsverplichtingen tijdens schorsing. In dat licht zijn de ondubbelzinnige uitspraken van de minister voor mij aanleiding om Van der Gulik/Vissers als achterhaald te beschouwen.
Van der Gulik/Vissersniet meer geldt: [94]
Met de invoering van de WWZ zullen de besproken correcties hun belang gaan verliezen. De rechtsregel die de Hoge Raad in voornoemd arrest Van der Gulik/Vissers heeft geformuleerd, is door de regering gecorrigeerd in die zin dat een schorsing als disciplinaire maatregel in een aantal gevallen aan de werknemer kan worden toegerekend. Volgens de regering zou de huidige rechtsregel tot een zekere ongerijmdheid leiden. Deze ongerijmdheid zou bestaan uit het gegeven dat waar op grond van een c[a]
o geldt dat een bepaalde gedraging van een werknemer leidt tot het niet verschuldigd zijn van loon, diezelfde gedraging voor een werkgever waar geen cao geldt niet hetzelfde effect kan hebben. Dit verschillende rechtsgevolg zal onder de nieuwe tekst van art. 7:628 lid 1 BW Pro niet meer bestaan, in geval sprake is van een schorsing die verband houdt met verwijtbaar gedrag van de werknemer. Hierbij geldt dat per geval moet worden bezien in hoeverre de schorsing inderdaad geheel of gedeeltelijk aan de werknemer moet worden toegerekend. Is sprake van een dringende reden voor ontslag, maar wordt vooruitlopend aan dit ontslag eerst nog onderzoek naar het gedrag van de werknemer ingesteld, dan is dat bijvoorbeeld een aan de werknemer toe te rekenen omstandigheid. Is daarentegen sprake van een schorsing bij wijze van zelfstandige disciplinaire straf zonder dat op zichzelf sprake is van een dringende reden voor ontslag, dan is het mogelijk dat de werkgever wel loon zal moeten doorbetalen gedurende de schorsingsperiode. Niet duidelijk is wanneer de ‘nieuwe risicoverdeling’ bij schorsing in werking treedt. Verdedigbaar is dat dit reeds het geval is per 1 januari 2015, omdat vanaf die datum sociale partners niet langer in cao’s afspraken kunnen maken over de risicoverdeling bij schorsing of non-actiefstelling.”
- het achterwege laten door de werkgever van een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst of het aanvragen van een ontslagvergunning ‘voor zover vereist’ bij het UWV. [107]
vernietigbaarheid van de opzegging”. Het gaat dus om situaties dat loon wordt gevorderd na opzegging van de arbeidsovereenkomst, terwijl later blijkt dat die opzegging niet rechtsgeldig is geweest. In de rechtspraak is beslist dat loonmatiging naar analogie van art. 7:680a BW ook mogelijk is in “
met de vernietigbaarheid van de opzegging op één lijn te stellen gevallen van het ontbreken van een rechtsgeldige opzegging”. [115] Slechts zelden is echter aangenomen dat een dergelijk geval zich voordoet. Het in geschil zijn van de vraag of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is beëindigd, is níet een dergelijk geval. [116] En het door een op non-actief gestelde werknemer aanvaarden van betaalde arbeid elders tijdens het nog doorlopende dienstverband was dat ook niet. [117] (Slechts) wel op één lijn te stellen was volgens de Hoge Raad het geval waarin de na de overgang van de onderneming verleende maar voor de overgang aan de RDA gevraagde toestemming voor ontslag, naar het oordeel van de rechter geen gevolg meer kon hebben. [118]
Chicopee/Van Gerwen, waarin de op non-actief gestelde werknemer aanspraak maakt op doorbetaling van loon terwijl hij elders betaalde arbeid had verricht. [119] Ook in het geval waarin de loonvordering van de werknemer was gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden was beëindigd, werd loonmatiging op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro mogelijk geacht. [120]
[F] /Sappiheeft de Hoge Raad beslist dat de bevoegdheid tot matiging van een loonvordering op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro volgens dezelfde maatstaf dient plaats te vinden als bij matiging op grond van art. 7:680a BW: [121]
aanleiding bestaat dient de rechter dezelfde maatstaven te hanteren als in de rechtspraak voor de toepassing van art. 7:680a BW zijn ontwikkeld. De rechter is derhalve zowel op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro als op grond van art. 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon te matigen indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarbij dient hij de terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt en van die terughoudendheid in zijn motivering te doen blijken en dient hij alle bijzonderheden van het geval in aanmerking te nemen bij zijn oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van de gevolgen van toewijzing van de vordering tot doorbetaling van loon (vgl. HR 16 april 2010, LJN BL1532, NJ 2010/228, rov. 3.5, en HR 1 juni 2012, LJN BV7347, NJ 2012/343, rov. 3.4).
Mediant-beschikking opgemerkt dat hij twijfelt over de toepasbaarheid van dit artikel door de appelrechter. Volgens Keus is een loonvordering in appel over de periode tussen de vernietiging van de opzegging door de kantonrechter en het door het hof bepaalde einde van de arbeidsovereenkomst
zekerniet op de vernietigbaarheid van de opzegging gegrond. [128] Ik ga er vanuit dat Keus daarmee doelt op het onderscheid dat kan worden gemaakt tussen de periode tussen het ontslag op staande voet en de vernietiging van het ontslag door de kantonrechter, en de periode tussen de vernietiging van het ontslag door de kantonrechter en het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof (vergelijk hiervoor onder 4.8.3). Een loonvordering over de eerste periode zou dan wellicht wel vallen onder het bereik van art. 7:680a BW, als zijnde gegrond op ‘de vernietigbaarheid van de opzegging’; over de tweede periode zou dat dan niet het geval zijn.
Het is mijns inziens de vraag of art. 7:680a BW zo beperkt moet worden opgevat. De loonvordering van de werknemer is inderdaad in de situatie als bedoeld in art. 7:683 lid 6 BW Pro niet op de vernietigbaarheid van de opzegging gestoeld, maar wel op de daadwerkelijke vernietiging van de opzegging.”
eersteperiode en de
tweedeperiode (zie onder 4.8.3) leidt tot een onnodig complex systeem. Voor de gehele periode zou een zelfde systeem van matiging moeten worden aangenomen. Gelet op het feit dat in situaties als de onderhavige de loonvordering samenhangt met de omstandigheid dat het hof de vernietiging van de opzegging door de kantonrechter in stand moet laten (ook al is het hof van oordeel dat de opzegging terecht was), is goed te verdedigen dat het gaat om een geval dat op één lijn te stellen is met het ontbreken van een rechtsgeldige opzegging. Dat betekent dat gematigd kan worden op de voet met art. 7:680a BW.
het veel tijd in beslag nemen van de procedure in hoger beroep’ op zichzelf genomen onvoldoende is voor loonmatiging.
zelf(altijd) als een rechtvaardiging voor loonmatiging zou beschouwen (vergelijk in dit verband ook vragen 4 en 5 geciteerd onder 4.4.4). Naar mijn mening past een dergelijke benadering echter niet binnen de systematiek van matiging van een vordering. Bij matiging gaat het juist om afwijking van een hoofdregel, vanwege de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Als een achteraf terecht bevonden ontslag op staande voet
per definitiegrond zou zijn voor matiging, wordt in feite een nieuwe (sub-)hoofdregel gecreëerd voor een bepaald type zaken. Dat verdraagt zich niet met de hiervoor weergegeven matigingsjurisprudentie, waarbij de rechter bij zijn oordeel of volledige toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen leidt, een mate van terughoudendheid moet betrachten die in overeenstemming is met deze maatstaf (zie onder 4.10.3).
5.Bespreking van de klachten
subonderdeel 1a(onder 10) heeft het hof met zijn oordeel dat [verzoeker] geen recht heeft op loon vanaf de dag van het ontslag op staande voet tot de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omdat de omstandigheid dat hij geen werk heeft verricht een gevolg is van zijn eigen handelwijze, zodat geen sprake is van een situatie waarin [verzoeker] de arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [verweerster] behoort te komen, de jurisprudentiële regel miskend dat het niet toelaten tot de arbeid van een werknemer die op vernietigbare wijze is ontslagen een oorzaak is die voor risico komt van de werkgever. Voorts heeft het hof met dit oordeel miskend dat een schorsing of op non-actiefstelling van de werknemer in de risicosfeer ligt van de werkgever (
Van der Gulik/Vissers).
na de bestreden beschikking feitelijk nooit werkzaamheden voor [verweerster] heeft verricht”. Geklaagd wordt dat die onderbouwing onvoldoende, althans onbegrijpelijk is. Gesteld wordt dat zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom de enkele vaststelling dat een werknemer in een bepaalde periode geen werkzaamheden heeft verricht, (mede) tot het oordeel leidt dat die non-activiteit “dus” in zijn risicosfeer valt.
[verzoeker] na de bestreden beschikking feitelijk nooit werkzaamheden voor [verweerster] heeft verricht”. Dit betekent dat subonderdeel 1.c dient te falen.
subonderdeel 1dmoet ’s hofs overweging dat het bij zijn beslissing dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op loon “
in aanmerking” heeft genomen dat “
[verzoeker] na de bestreden beschikking feitelijk nooit werkzaamheden voor [verweerster] heeft verricht”, zo worden begrepen dat het hof daarmee heeft bedoeld te beslissen dat bij [verzoeker] na de beschikking van de kantonrechter de bereidheid heeft ontbroken om de overeengekomen arbeid te verrichten.