Conclusie
enhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek als omschreven in art. 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof een geldbedrag en twee geldtelmachines verbeurd verklaard en de onttrekking aan het verkeer bevolen van een automatisch vuurwapen en munitie. Het hof heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van een weegschaal.
eerstemiddel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het herhaald verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 15] heeft afgewezen en heeft afgezien van verwijzing naar de raadsheer-commissaris voor het verhoren van [betrokkene 15] .
‘Het hof beveelt de oproeping van de navolgende getuigen:
tweedemiddel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte een vuurwapen van categorie II en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad (feit 2).
‘Zaaksdossier Vuurwapen [A-straat 1]
15.
Heroïne in de dakgoot, dat ging over het aantreffen van (het zal u niet verbazen) heroïne in de dakgoot van een woning, waartoe ook anderen dan de verdachte toegang hadden. De Hoge Raad vernietigde in die zaak het arrest van het Hof, dat het voorhanden hebben van heroïne bewezen verklaard had.
NJ2016/286 waren bij een doorzoeking in een woning pepperspray, honderd patronen en een nepvuurwapen aangetroffen. [7] Het nepvuurwapen bevond zich in een kluis, aanwezig op een slaapkamer op de eerste etage. De munitie bevond zich op een zolder van de garage. De pepperspray werd in een lade van de keukentafel aangetroffen. De verdachte, die daar met de medeverdachte woonde, beriep zich op zijn zwijgrecht. In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de genoemde wapens en munitie. Uw Raad overwoog:
NJ1999/152. Daarin overwoog Uw Raad:
NJ2016/229. Het vuurwapen was, voorzien van munitie en doorgeladen, aangetroffen in een dikke opgevouwen jas die achter de bestuurdersstoel werd gevonden waar de verdachte plaats had genomen. In de auto zat ook een passagier. De raadsman van de verdachte had in hoger beroep (in lijn met de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring) het verweer gevoerd dat de jas van de passagier was. De verdachte wist niet dat er een vuurwapen in de auto lag; daarom had hij de politie ook toestemming gegeven de auto te doorzoeken. Ook had hij toestemming gegeven DNA af te nemen, zodat vastgesteld kon worden dat hij niet in contact was geweest met het vuurwapen. Uw Raad oordeelde dat in het licht van hetgeen door en namens de verdachte was aangevoerd, ‘s hofs oordeel dat de verdachte zich ‘in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk’ was. [8]
NJ2011/287 bleef een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een nepwapen in cassatie ook niet in stand. De raadsman had in hoger beroep het verweer gevoerd dat het wapen was aangetroffen op een plek waartoe diverse personen toegang hadden (een metalen kast in een kantoorruimte van een rijwielhandel). De verdachte (de eigenaar van het bedrijf) zou geen belang hebben gehad bij de aanwezigheid van een dergelijk wapen en er niets van weten. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust was geweest van de aanwezigheid van dat wapen, niet zonder meer begrijpelijk was, ‘in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de vele momenten dat andere personen toegang hadden tot de plek waar het wapen is aangetroffen.’ [9]
derdemiddel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1. Het hof zou ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd bewezen hebben verklaard dat de verdachte van enig geldbedrag heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren.
6.1.2 Vaststaande feiten en omstandigheden
[WI028.F.3.1.014], dit betreft de zogenaamde 'balans van [betrokkene 10] ') en die over de bedragen die zijn doorbetaald (al dan niet via [verdachte] ) aan [betrokkene 15] / [betrokkene 15] (beslagcode
[WI028.F.3.1.012], in eerder genoemd gesprek wordt gesproken over 'wat ik [betrokkene 15] heb gegeven'). Ook is er een e-mail d.d. 4 mei 2009 die blijkens de getapte gesprekken door [betrokkene 1] in de mailbox van [e-mailadres 2] is gezet en waar de opgehaalde bedragen ook op staan vermeld.
Stb. 2001, 606 van belang. Deze houdt inzake het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van een voorwerp (art. 420bis, eerste lid, onderdeel a, Sr) het volgende in:
degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.’ [16]
van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.’ [17]
Trb. 1989, nr. 97, verplicht in art. 3, eerste lid, onder b, tot strafbaarstelling van ‘het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen zijn verworven uit één of meer van de in overeenstemming met letter (a) van dit lid strafbaar gestelde feiten, of uit deelneming aan één of meer van deze strafbare feiten’. [20] In de latere richtlijn (EU) 2015/849 komt een vergelijkbare formulering voor. Artikel 1, derde lid, bepaalt dat voor de toepassing van deze richtlijn ‘de hierna genoemde handelingen, indien opzettelijk begaan, als witwassen (worden) beschouwd: (…) b) het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit’. [21]
vindplaats of verplaatsingvan een voorwerp wellicht aanknopingspunten bieden bij de interpretatie van het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is.
NJ2014/304 m.nt. Keijzer was bewezen verklaard dat de verdachte ‘van voorwerpen, te weten mobiele telefoons (merk: Apple) de herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl zij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf’. Bij een doorzoeking van een inbeslaggenomen voertuig waren zeven (gestolen) mobiele telefoons aangetroffen, onder meer in kleding die in tassen in de auto zat. Geklaagd werd dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd had gekwalificeerd als witwassen. Aan het middel lag, in de bewoordingen van Uw Raad, ‘de opvatting ten grondslag dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen of verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr’. Die opvatting is volgens Uw Raad onjuist. [22]
herkomstvan een voorwerp volgt dat Uw Raad de vaststelling van gedragingen die op het verbergen van een voorwerp neerkomen in die context veelal niet toereikend acht voor een bewezenverklaring. In HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293,
NJ2017/30 m.nt. Reijntjes was ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij van bankbiljetten de herkomst had verhuld terwijl hij wist dat die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Uw Raad was van oordeel dat uit de door het hof vastgestelde omstandigheid ‘dat de verdachte biljetten van 500 euro heeft omgewisseld in kleinere coupures, die waren weggestopt in een tas onder een autostoel en in de broekzak van de verdachte’ niet zonder meer kon worden afgeleid dat sprake was van gedragingen die gericht waren op het ‘verhullen’ van de ‘herkomst’ van die geldbedragen.