Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof op ontoereikende gronden heeft verworpen het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen van toepassing is.
NJ2008/16 heeft Borgers een aanzet gegeven voor de aanvaarding van een kwalificatie-uitsluitingsgrond in geval van het voorhanden hebben van een voorwerp dat uit eigen misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte als rechtstreeks en direct gevolg van het voltooien van een misdrijf een voorwerp voorhanden krijgt, laat dat enkele voorhanden hebben zich volgens Borgers niet kwalificeren als witwassen. In de eerder genoemde zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180 leek daarvan sprake: het voorhanden hebben van de overgeboekte gelden kon worden aangemerkt als het rechtstreeks gevolg van de valsheid in geschrift en de oplichting. De vraag is of de onderhavige zaak daarvan in relevante mate afwijkt.