AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring witwassen door overdragen en omzetten van crimineel geld
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 1 februari 2017, waarin de verdachte is veroordeeld voor medeplegen van handel in verdovende middelen, witwassen en valsheid in geschrift. De verdachte werd onder meer veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het recht op een eerlijk proces zou zijn geschonden. De Hoge Raad oordeelt dat overschrijding van de redelijke termijn geen grond is voor niet-ontvankelijkheid, tenzij sprake is van een onherstelbare inbreuk die het proces oneerlijk maakt. Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging effectief kon worden gevoerd en dat de vertraging grotendeels te wijten was aan het moeilijk kunnen horen van een getuige via buitenlandse autoriteiten.
Ten aanzien van het witwassen oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft bewezen verklaard dat de verdachte geldbedragen heeft overgedragen en omgezet, waarbij deze gelden rechtstreeks afkomstig waren uit eigen misdrijf. De Hoge Raad bevestigt dat het omzetten van contant geld in grotere coupures kan worden gekwalificeerd als witwassen indien het gericht is op het verhullen van de criminele herkomst. De klachten over een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende motivering worden verworpen.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep faalt en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van drugshandel, witwassen en valsheid in geschrift.
Conclusie
Nr. 17/00855
Zitting: 9 oktober 2018
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 1 februari 2017 partieel vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde en de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “witwassen, meermalen gepleegd”en 4. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 enPro art. 27a Sr. Tevens heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00853. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat de verdachte door de (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en (derhalve) in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad.
5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen (onder weglating van voetnoten):
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
4.1. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu verdachte ernstig in zijn verdedigingsrechten is geschaad als gevolg van het niet in acht nemen van de redelijke termijn ex artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
(…)
Daartoe is het volgende gesteld:
De raadsman heeft aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 september 2016 heeft overwogen dat overschrijding van de redelijke termijn in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte dient dan van dien aard en zodanig ernstig te zijn dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM. De raadsman is van mening dat verdachte, gezien het tijdsverloop, zich ter terechtzitting niet behoorlijk kan verweren. Omdat de verweten gedragingen zo lang geleden plaatsvonden zal niet van getuigen verlangd kunnen worden dat zij daaromtrent nog kunnen verklaren, zodat verdachte tevens geschaad wordt in zijn ondervragingsrecht. Door de duur van de vervolging is de verdachte derhalve niet meer in staat een effectieve verdediging te voeren. Voorts dient rekening gehouden te worden met het feit dat verdachte al tien jaar in onzekerheid leeft en hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim een miljoen euro boven het hoofd hangt. De hele zaak trekt een zware wissel op het leven van verdachte.
(…).
4.3. Het oordeel van het hof
4.3.1. De redelijke termijn
Verdachte is op 8 mei 2007 aangehouden. Op 21 augustus 2007 heeft een pro formazitting plaats gevonden bij de Rechtbank Utrecht. De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman toegewezen om 10 getuigen te horen. Naar aanleiding van de pro formazitting op 8 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het horen van 5 getuigen toegewezen. Op 21 januari 2009 heeft de rechtbank opnieuw een verzoek tot het horen van 5 getuigen toegewezen, onder wie [betrokkene 1] (onder voorwaarde dat hij kon worden opgespoord) en het verzoek tot het doen van onderzoek naar de geheimhoudersgesprekken eveneens toegewezen. De zaak is vervolgens op 21 april 2009, 23 april 2009 en 3 juni 2009 inhoudelijk behandeld, gelijktijdig met de zaken tegen medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Op 8 juni 2009 is het vonnis uitgesproken.
De raadsman heeft bij appelschriftuur van 1 juli 2009 en ter terechtzitting op 27 april 2011 onder meer verzocht om 31 getuigen te horen en een reclasseringsrapport te doen opmaken. Bij tussenarrest van 11 mei 2011 heeft het hof het verzoek tot het horen van 15 getuigen (onder wie [betrokkene 1] ) toegewezen, alsmede het verzoek tot het opstellen van een reclasseringsrapport. De inhoudelijke behandeling zou gelijktijdig plaatsvinden met de zaken tegen zes medeverdachten. Bij brief van 19 augustus 2013 heeft mr. C. van Oort zich gesteld.
Op 13 januari 2014 is de zaak opnieuw ter terechtzitting behandeld. Uit het proces-verbaal terechtzitting blijkt dat alle genoemde getuigen met uitzondering van [betrokkene 1] zijn gehoord. De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het horen van deze getuige, van wie de raadsvrouw geen adres wist. Het hof heeft de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen om [betrokkene 1] alsnog te horen. Bij brief van 27 januari 2015 heeft mr. Y. Moszcowicz zich gesteld.
Nadat het adres van [betrokkene 1] bekend is geworden, heeft het hof op 26 november 2014 een rechtshulpverzoek gericht aan het IRC. Vervolgens zijn met de Maltese autoriteiten afspraken gemaakt om [betrokkene 1] te horen op respectievelijk 17 april 2015, 2 oktober 2015 en 30 november 2015. Om onbekende redenen zijn deze afspraken telkens door de Maltese autoriteiten afgezegd. Op het verzoek om een nieuwe afspraak voor het verhoor te plannen, werd niet gereageerd. De advocaat-generaal heeft bij emailbericht van 7 maart 2016 aangedrongen op een vlotte afdoening van de zaak. Uiteindelijk is voorgesteld om het verhoor op 27 juli 2016 te laten plaatsvinden. Zowel de raadsman als de advocaat-generaal heeft meegedeeld op deze datum verhinderd te zijn.
De raadsheer-commissaris heeft vervolgens op 19 juli 2016 beslist dat, gelet op de gedateerdheid van de zaak en de moeizame communicatie met de Maltese autoriteiten, het verhoor op 26 juli 2016 doorgang zou vinden en de raadsman en de advocaat-generaal verzocht om met het oog daarop op voorhand schriftelijk vragen in te sturen. Bij brief van 25 juli 2016 heeft de raadsman (opnieuw) verzocht het verhoor aan te houden en meegedeeld dat hij vanuit tactische overwegingen geen vragen zal indienen.
Uit bovenstaande weergave van het verloop van de procedure blijkt dat er veel tijd nodig is geweest voor het horen van een groot aantal getuigen. Met name het horen van getuige [betrokkene 1] is de oorzaak geweest van langdurige, ongewenste vertraging. Het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris waren voor het horen van deze getuige aangewezen op de medewerking van de Maltese autoriteiten en op het uitstel hebben zij geen invloed gehad. Uiteindelijk is besloten dat het verhoor van [betrokkene 1] op 27 juli 2016 per video-verbinding zou plaatsvinden. De raadsman van verdachte heeft ervoor gekozen geen vragen in te dienen.
Het hof heeft te beoordelen of er door het geschetste tijdsverloop sprake is van een, door de Hoge Raad in het arrest van 13 september 2016 bedoeld uitzonderlijk geval, dat zou kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarbij neemt het hof de volgende overweging van de Hoge Raad tot uitgangspunt :
“Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM- dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld zodanige inbreuk op de rechten van de verdachte is gemaakt, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 vanPro het EVRM. ”
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte is op 8 mei 2007 aangehouden en op diezelfde datum heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een grote hoeveelheid hennep en geld is aangetroffen. Verdachte is aangehouden in het schuurtje waar met hennep gevulde kartonnen dozen aanwezig waren, die net daarvoor door leverancier [betrokkene 4] waren afgeleverd. Verdachte moet zich hebben gerealiseerd waarvan hij werd verdacht. Het onderzoek naar het witwassen is kort daarop gestart en het (eind)proces-verbaal is op 20 september 2007 gesloten. Verdachte beschikte op dat moment over alle voor zijn verdediging benodigde gegevens en wist precies waar hij zich tegen had te verweren. Verdachte heeft zich in het vooronderzoek echter veelvuldig beroepen op zijn zwijgrecht en geen stukken overgelegd die zijn mogelijke verweren zouden kunnen onderbouwen. Evenmin heeft hij in die fase mededelingen gedaan, die aanknopingspunt konden bieden voor in het kader van zijn verdediging relevante onderzoekshandelingen. De eerste van een aantal zittingen heeft plaats gevonden in 2007, waarbij telkenmale verzoeken tot het horen van een uiteindelijk groot aantal getuigen zijn toegewezen. De meeste getuigen zijn ook binnen vijf maanden gehoord. Tijdens de procedure in hoger beroep is opnieuw een groot aantal getuigen gehoord. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof niet in dat verdachte onvoldoende in staat zou zijn gesteld dan wel thans niet meer in staat zou zijn om zijn verdediging effectief te voeren. De procedure heeft weliswaar meer tijd in beslaggenomen dan de zaken tegen de medeverdachten (- die in 2014 zijn veroordeeld -), maar dat tijdsverloop is in overwegende mate te wijten aan de problemen rond het horen van getuige [betrokkene 1] .
Tegen deze achtergrond wijst het hof naar rechtsoverweging 2.3.2 van hetzelfde arrest van de Hoge Raad:
“In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - getuigen. Genoemd voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten. ”
Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Dat neemt niet weg dat de vervolging aanmerkelijk langer heeft geduurd dan in het licht van het bepaalde in artikel 6 EVRMPro voor redelijk gehouden mag worden, hetgeen een schending van de door dat artikel beschermde rechten van verdachte inhoudt.”
6. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, kan geen grondslag vormen voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. [1] Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking, namelijk: (i) indien het een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv betreft en (ii) indien sprake is van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die buiten het bereik van art. 359a Sv valt, doch slechts in het uitzonderlijke geval dat het een inbreuk betreft welke van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRMPro. In het laatste geval moet het in de eerste plaats gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet is gecompenseerd op een wijze die beantwoordt aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het EHRM – dat ‘the proceedings as a wholewere not fair’. [2]
7. Uit de nadere overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof het volgende heeft vastgesteld. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzoeken gedaan tot het horen van een groot aantal getuigen. Deze verzoeken zijn (grotendeels) toegewezen en de meeste getuigen zijn binnen vijf maanden gehoord. Voorts beschikte de verdachte (in ieder geval) vanaf 20 september 2007 over alle voor zijn verdediging benodigde gegevens en wist hij vanaf dat moment precies waartegen hij zich moest verdedigen. De oorzaak van het langdurige verloop van de procedure is met name gelegen in het horen van getuige [betrokkene 1] . Voor het horen van deze getuige waren het Openbaar Ministerie en de raadsheer-commissaris aangewezen op de Maltese autoriteiten en op de vertraging die de procedure door het horen van deze getuige heeft opgelopen, hebben zij geen invloed gehad. Gelet op deze vaststellingen van het hof, acht ik ’s hofs oordeel dat ondanks de lange duur van het strafproces de verdediging in staat is geweest de verdediging effectief te voeren en derhalve geen sprake is van een inbreuk op de verdedigingsrechten, laat staan van een inbreuk die van dien aard en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRMPro, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
8. Het eerste middel faalt.
9. Het tweede middelkomt met verschillende deelklachten op tegen het onder 3 bewezen verklaarde witwassen. Het middel welwillend gelezen, klaagt in de kern over het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte ten aanzien van de geldbedragen kan worden gekwalificeerd als witwassen. Daarbij wordt een beroep gedaan op de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687) waaruit – kort samengevat – kan worden afgeleid dat als het gaat om het ‘verwerven’ of ‘voorhanden’ hebben van voorwerpen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf, uit de motivering van het hof moet blijken dat er sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van deze voorwerpen en de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht moeten zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan.
10. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 8 mei 2007 in het arrondissement Utrecht alleen, voorwerpen, waaronder
- een personenauto (merk: Mercedes, kenteken [kenteken] ), gekocht rond juli 2006 voor (ongeveer) € 33.000,-- en
- een personenauto (merk: Peugeot, kenteken [kenteken] ), gekocht rond januari 2007 voor (ongeveer) € 12.600,-- en
- een caravan (merk: Tabbert), gekocht voor (ongeveer) € 12.000,-- en
- een keuken, gekocht rond juni 2006 voor (ongeveer) € 15.900,-- en
- een geldbedrag, van (ongeveer) € 104.855,-- (op 8 mei 2007) en
- 12 bedragen van telkens (ongeveer) € 25.000,--
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij wist, dat deze voorwerpen en dit geld, – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.“
11. De bewezenverklaring steunt op de (52) bewijsmiddelen zoals in het arrest genoemd. [3] De bewijsmiddelen 16 – 38 zien op de bewezenverklaring van feit 3.
12. Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Uit vaste jurisprudentie blijkt immers dat het enkele voorhanden hebben van geldbedragen onvoldoende is voor een bewezenverklaring van het “verbergen en verhullen van de herkomst van die geldbedragen.”
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het verhullen van het bedrag van € 9.874,--, dat onder feit 3, zesde aandachtstreepje is tenlastegelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Nu slechts het ‘voorhanden hebben’ van een geldbedrag ad € 9.874,-- is bewezenverklaard dient verdachte van het witwassen van dit bedrag te worden vrijgesproken.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte ook zou moeten worden vrijgesproken van het witwassen van de onder feit 3, vijfde en zevende gedachtestreepje, tenlastegelegde geldbedragen, deelt het hof die opvatting niet. De door de raadsman in dit verband aangehaalde jurisprudentie ziet niet op het omzetten of overdragen van door een misdrijf of misdrijven verworven voorwerpen. De geldbiljetten, die werden aangetroffen in de kluis in de woning van de moeder van verdachte zijn daar verborgen. De geldbiljetten (van meestal € 50) aangeboden aan de SNS-bank zijn ter omzetting (in bankbiljetten van € 500) overgedragen aan de SNS-bank, waarmee de verschillende bestanddelen van het witwassen van die geldbedragen zijn vervuld.”
13. De bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde komt, in samenhang gelezen met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging, erop neer dat de verdachte (onder meer) een geldbedrag van € 104.855,-, dat in de (kluis van de) woning van de moeder van de verdachte lag, heeft overgedragen, alsmede dat de verdachte twaalf geldbedragen van € 25.000,- heeft omgezet door deze geldbedragen, bestaande uit biljetten van € 50,-, bij de bank om te wisselen voor biljetten van € 500,-. Hoewel het hof dat niet met zoveel woorden tot uitdrukking heeft gebracht, kan uit zijn nadere bewijsoverweging worden afgeleid, althans ligt daarin besloten dat het hof – in weerwil van verdachte’s betwisting – aannemelijk heeft geacht dat deze geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enige door de verdachte zelf (mede)gepleegde misdrijven. Ik wijs er in dit verband tevens op dat het hof de verdachte onder 1 heeft veroordeeld voor het medeplegen van handel in verdovende middelen.
14. Allereerst wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie niet ziet op het omzetten of overdragen van door een misdrijf of misdrijven verworven voorwerpengetuigt van een onjuiste rechtsopvatting en derhalve onbegrijpelijk is.
15. Zowel de tenlastelegging als de bewezenverklaring van feit 3 zijn toegesneden op art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. Het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat – ‘onmiddellijk’ [4] – afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf kan kwalificeren als ‘witwassen’ indien uit de motivering van de bewezenverklaring kan worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. [5] Deze rechtspraak van de Hoge Raad heeft in beginsel geen betrekking op een bewezenverklaring van het ‘overdragen’, ‘omzetten’ of ‘gebruik maken’ van een voorwerp dat afkomstig is van een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dit is slechts anders in het bijzondere geval waarin het ‘overdragen’, ‘gebruik maken’ of ‘omzetten’ van rechtstreeks (‘onmiddellijk’) door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. [6]
16. Het hof heeft de mogelijkheid dat dit bijzondere geval zich heeft voorgedaan onbesproken gelaten en dus niet in volle omvang de door de Hoge Raad voorgeschreven kaders gevolgd. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
17. De vraag die thans voorligt is of dit verzuim aanleiding geeft voor cassatie. Cassatie dient – behoudens een pedagogische – geen redelijk doel wanneer in ’s hofs vaststellingen reeds besloten ligt dat de uitzonderingssituatie, waaraan het hof in zijn overweging voorbij is gegaan, zich in de onderhavige zaak niet heeft voorgedaan. De meeste aarzeling heb ik op het punt van de twaalf geldbedragen van € 25.000,-.
18. Uit de bewijsvoering en de nadere bewijsoverweging van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte twaalf keer een geldbedrag, bestaande uit biljetten van (meestal) € 50,- heeft aangeboden aan de SNS-bank ter omzetting in biljetten van € 500,-. Verschilt die situatie wezenlijk “ van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen”?
19. In dat verband wijs ik op de uitspraak van HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ2014/500. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat in de regel sprake zal zijn van zo’n bijzondere situatie als hier bedoeld indien het omzetten of overdragen heeft bestaan in het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. [7]
20. Terzijde merk ik op dat dit oordeel van de Hoge Raad niet geheel voor zich spreekt. Het storten van contant geld op een bankrekening betreft een separate handeling, en dat is dus sowieso iets anders dan het automatische verwerven c.q. voorhanden krijgen van contant geld bij gelegenheid van het begaan of voltooien van een misdrijf. [8] Bij de storting van de chartale buit van een misdrijf op een bankrekening ondergaat deze buit bovendien een gedaantewisseling. Hierbij gaan allerlei gegevens verloren die kunnen assisteren bij het achterhalen van de criminele herkomst van het geld, zoals sporen van dactyloscopische, biologische en chemische aard op munten en coupures, de nummers van bankbiljetten of reeds de enkele samenstelling van het bedrag aan chartaal geld. Dat een storting van chartaal geld dat rechtstreeks van eigen misdrijf afkomstig is op een bankrekening, ook ingeval dat een eigen in Nederland aangehouden bankrekening betreft, (sterk) kan bijdragen aan (en strekt tot) het verhullen van een criminele herkomst van de gelden, lijkt mij eerder regel dan uitzondering. Onder deze omstandigheden kan het stellen van een verhoogde motiveringseis door de cassatierechter aan de feitenrechter leiden tot bewijsproblemen die de wetgever nou juist had willen vermijden. [9]
21. In het licht van HR 7 oktober 2014 rijst in de thans voorliggende zaak niettemin de vraag of het converteren van een grote hoeveelheid biljetten van (meestal) € 50,- – die (naar het hof kennelijk heeft aangenomen) rechtstreeks uit eigen misdrijf afkomstig zijn – in biljetten van € 500,- ‘wezenlijk verschilt’ van bijvoorbeeld het enkele storten op een eigen bankrekening (in Nederland) van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, waarvan uw Raad heeft bepaald dat ‘in de regel’ sprake zal zijn van de bedoelde bijzondere situatie.
22. Ik meen van wel. Nog afgezien van hetgeen ik hierboven reeds opmerkte over de mogelijkheid van het verlies van sporen, kan het omwisselen van betrekkelijk kleine, gangbare coupures naar grote, zeer incourante coupures in elk geval niet strekken tot betaalgemak bij de aanschaf van bijvoorbeeld consumptiegoederen. Bovendien gaan met deze conversie de kenmerken van straathandel verloren, terwijl grotere coupures – naar algemeen bekend is – gemakkelijker (heimelijk) kunnen worden bewaard c.q. vervoerd, en eenvoudiger dienen tot de betaling van bijvoorbeeld grote (kostbare) partijen verdovende middelen. Het is niet voor niets dat briefjes van 500 in het witgeldcircuit nauwelijks nog in omloop zijn. [10]
23. Ik meen dan ook dat in ’s hofs bewijsmotivering besloten ligt dat de gedragingen van de verdachte ten aanzien van deze twaalf geldbedragen (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen. Aldus bezien is het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte ten aanzien van deze geldbedragen kan worden gekwalificeerd als witwassen, toereikend gemotiveerd. Het middel hoeft in zoverre niet tot cassatie te leiden.
24. Voor zover het middel klaagt dat het overdragen van het bedrag van € 104.855,- niet kan worden gekwalificeerd als witwassen faalt het eveneens. Het hof heeft ten aanzien van dit geldbedrag vastgesteld dat de verdachte dit geldbedrag in de (kluis van de) woning van zijn moeder had verborgen. Daarin ligt als ‘s hofs oordeel besloten dat het handelen van de verdachte ook gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geldbedrag. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, nu de verdachte door het geld op deze wijze te verbergen zonder dat op enigerlei wijze kenbaar was dat het geld hem toebehoorde, heeft getracht de werkelijke herkomst van het geld te verhullen.
25. Tot slot wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de voorwerpen dan wel geldbedragen zoals tenlastegelegd onder feit 3 niet van misdrijf afkomstig zijn aangezien de gelden (waarmee deze goederen zijn aangeschaft) een legale herkomst hebben.
26. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 januari 2017 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal gepleit overeenkomstig zijn bij die gelegenheid overgelegde pleitnota. In de cassatieschriftuur heeft de steller van het middel de inhoud van deze pleitnotities voor zover relevant weergegeven.
27. Indien de strafrechter afwijkt van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd bewijsverweer, is deze ingevolge art. 359, tweede lid, Sv gehouden die afwijking te motiveren. Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt. Voorts is van belang dat de responsieplicht niet meebrengt dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [11]
28. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan (onder meer) worden afgeleid dat de verdachte in de periode van 1 januari 2003 tot en met april 2007 een gering legaal contant inkomen genoot, nagenoeg geen loon uit arbeid heeft ontvangen, doch slechts een WAO-uitkering. Daar staat tegenover dat de verdachte de beschikking had over forse contante geldbedragen en ook omvangrijke contante betalingen heeft verricht. Op grond daarvan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de onder 3 bewezenverklaarde voorwerpen van misdrijf afkomstig waren. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de raadsman ter terechtzitting zijn standpunt dat de verdachte over diverse legale inkomsten beschikte, nauwelijks heeft onderbouwd met verifieerbaar bronmateriaal. Aldus bevat de uitspraak voldoende gegevens waarin de nadere motivering van de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer besloten ligt.
29. De middelen falen.
30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.