Conclusie
Nummer21/04111
Inleiding
doodslag”, 2. “
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 3. “o
pzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 4. “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie van het hof
hij op 23 januari 2019 te Meerlo opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,
1. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 31 augustus 2021, voor zover onder ‘verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep’ is weergegeven en voor zover inhoudende:
“Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag. De verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer] , door hem te verwurgen.
De verweren van de verdediging
Overwegingen ten aanzien van de verklaring van de verdachte
Alvorens de verweren van de verdediging te bespreken, overweegt het hof het navolgende ten aanzien van de verklaring van de verdachte.
Bewijsoverweging ad 2: het (voorwaardelijk) opzet
Het hof acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft gewurgd, in elk geval (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van [slachtoffer] met een arm heeft afgeklemd, als gevolg waarvan hij is overleden. Uit dat enkele feit kan nog niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ook opzet had op de dood van het slachtoffer. Verwurging is weliswaar geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken, maar dat de verdachte het slachtoffer met dat doel heeft gewurgd, kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet worden vastgesteld.
Conclusie
Resumerend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag heeft begaan op de wijze zoals hiervoor is bewezenverklaard.
Het eerste middel
Het beoordelingskader
geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn.” [3] Hier volstaat de opmerking mijnerzijds dat de drempelwaarde (het minimum) van die aanmerkelijke kans betrekkelijk klein zal zijn, namelijk het spiegelbeeld van de drempelwaarde van ‘waarschijnlijk’, een grote kans. [4] Het spreekt dus bepaald niet voor zich dat een aanmerkelijke kans in de praktijk ook uitkomt.
ongeachtof dat gevolg zou intreden, heeft hij die kans ‘aanvaard’, oftewel het mogelijke gevolg ‘op de koop toe genomen’. Voor de aanvaarding van de kans op het gevolg is niet vereist dat de verdachte het intreden van het gevolg heeft beoogd of gewild. ‘Bewust aanvaarden’ bestrijkt meer gevallen dan alleen ‘willen’. [6] Het gaat er mijns inziens om dat de verdachte op z’n minst onverschillig stond tegenover het gevolg van zijn gedraging. Bewuste schuld doet zich daarentegen voor in de gevallen waarin de verdachte weliswaar op de hoogte is van de aanmerkelijke kans, maar (achteraf bezien ten onrechte) meende dat het met het intreden van het gevolg ‘zo’n vaart niet zou lopen’. Als hij zou hebben geweten dat het gevolg in het concrete geval wél zou intreden, zou hij juist
niethebben gehandeld, althans zijn gedraging hebben aangepast om het gevolg te vermijden.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard”, aldus overwoog de Hoge Raad. [7]
bepaalde gedragingen (…) naar hun uiterlijke verschijningsvorm [kunnen] worden aangemerkt alszozeer gericht op een bepaald gevolgdat het (…) niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard” (onderstreping mijnerzijds). Het komt mij voor dat een gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm ‘is gericht op een bepaald gevolg’ wanneer er vanwege de aard van de gedraging een aanzienlijk méér dan aanmerkelijke, namelijk:
grotekans is dat de gedraging het gevolg teweegbrengt. In dat geval is de gedraging – beschouwd vanuit het perspectief van een objectieve buitenstaander – naar haar aard geëigend om het gevolg te bewerkstelligen. Bovendien kan uit zo’n gedraging worden afgeleid dat de verdachte zich van de grote kans op het intreden van het gevolg bewust is. Dat kan hem (uitzonderingen daargelaten) eenvoudigweg niet ontgaan, omdat hij zich in het leven – naar moet worden aangenomen – vrijwel dezelfde algemene ervaringsregels eigen heeft gemaakt als nagenoeg ieder ander. In zijn keuze om aldus te handelen ligt daarmee ook de aanvaarding van die grote kans besloten. In die gevallen is er immers geen ruimte om te menen dat het met het berispelijke gevolg ‘zo’n vaart niet zal lopen’. Als de verdachte handelde ondanks dat hij wist van de grote waarschijnlijkheid van het intreden van het gevolg, moet vanzelf worden aangenomen dat hij tegenover dat gevolg op z’n minst onverschillig stond. [8]
De beoordeling van het eerste middel
dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.”
grote, aanzienlijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn gedragingen zou komen te overlijden. Het oordeel van het hof dat de verdachte het overlijden van het slachtoffer zodoende bewust op de koop toe heeft genomen, acht ik – vanwege hetgeen ik onder randnummer 17 hierboven voorop heb gesteld – niet onbegrijpelijk en dit oordeel is toereikend gemotiveerd. Dat het hof niet heeft vastgesteld hoe lang en met welke kracht de verdachte het slachtoffer precies in een wurggreep heeft gehouden, doet daaraan niet af.
Het tweede middel
Het verweer en de verwerping ervan
Noodweer dan wel noodweerexces
Verweren van de verdediging
Met betrekking tot het beroep op noodweer
Met betrekking tot het beroep op noodweerexces
De klachten van het middel
Het beoordelingskader
1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Ineen noodweersituatie of (niet lang)
nade beëindiging van zo’n noodweersituatie is een handeling die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt (en die dus verder gaat dan ‘geboden’ is) verontschuldigbaar wanneer (1) de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding de beslissende factor is voor het ontstaan van een hevige gemoedsbeweging, [12] én (2) die hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is voor een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. [13] In de causale keten van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tot en met de verweten handeling mag de in artikel 41 lid 2 Sr Pro bedoelde ‘hevige gemoedsbeweging’ dus niet ontbreken. Bij het begrip ‘hevige gemoedsbeweging’ moet in de eerste plaats worden gedacht aan een (door de aanranding veroorzaakte) hevige angst of woede. [14] Noodweerexces betreft gevallen waarin de verdachte zich vanwege een voorafgaande aanranding op enig moment heeft moeten verdedigen, terwijl het begrijpelijk is dat hij zich door die aanranding op dat moment (of niet lang daarna) niet meer in de hand had.
Het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging vanwege de enkele omstandigheid dat de verdachte zich bewust was van zijn handelen en bewust heeft gestoken om een einde te maken aan de ruzie is zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met “een hevige gemoedsbeweging” als bedoeld in artikel 41 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht.” [15]
4.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
.’