Conclusie
eerstemiddel ziet op ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek van de psychische gesteldheid van de verdachte door psychiater Van Panhuis. De motivering van die afwijzing zou ten onrechte vooruitlopen op de inhoud van een aanvullend rapport of een aanvullende verklaring van psychiater Van Panhuis. Dat zou, zo betogen de stellers van het middel in de toelichting, meebrengen dat de afwijzing onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is.
tweede,
derdeen
vierdemiddel keren zich tegen de bewezenverklaring onder 1, 2 en 3, kort gezegd de faillissementsdelicten, in het bijzonder van het handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’. Voor een goed begrip komt het dienstig voor eerst de ten tijde van het bewezen verklaarde toepasselijke strafbepaling en enkele elementen uit de rechtspraak van Uw Raad weer te geven die bij de interpretatie van dit subjectieve bestanddeel van belang zijn.
NJ2010/104. [7] Van voorwaardelijk opzet op een gevolg is sprake bij het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg. [8] Met betrekking tot voorwaardelijk opzet heeft Uw Raad in HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
NJ2019/103 m.nt. Wolswijk nog overwogen dat onder de aanmerkelijke kans dient te worden verstaan ‘de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’, waarbij geldt dat met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans ‘geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking (is) gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954,
NJ1955/55, gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’.’
tweedemiddel richt zich met enkele deelklachten tegen de bewezenverklaring van feit 1 primair onder A.2.
1. primair
Inleiding
1.primair onder A.1 en A.2
[hof:zie verder onder 1 primair B.2] en daarvoor moest hij bewijs van de Belastingdienst overleggen dat [A] BV geen belastingschuld had. Verdachte verklaart dat hij dit geld op de bankrekening van de holding heeft laten binnenkomen. Vervolgens heeft hij daarvan op 30 januari 2006 € 100.000,- doorgestort naar de bankrekening van [A] BV om (onder meer) daarmee alle openstaande vorderingen van de Belastingdienst te betalen. Op 8 mei 2006 heeft de Belastingdienst de door verdachte gewenste verklaring afgegeven. In het dossier bevinden zich bescheiden die de verklaring van verdachte staven, zoals de notariële leningsovereenkomst tussen [G] BV en verdachte in privé met als onderpand zijn privé-woning, het bankafschrift van de rekening van [G] waarop staat vermeld “ [F] BV Spoedopdracht 1400 lening [verdachte] ” valutadatum 31-12-2005“ betaald 125.000 euro”.
Fundingwordt wel gedefinieerd als ‘
providing financial resources to finance a need, program, or project. In general, this term is used when a firm fills the need for cash from its own internal reserves, and the term ‘financing’ is used when the need is filled from external or borrowed money’. [10] In het geval rechtspersonen financieel gezond zijn, bestaat er vanuit de belangen van de schuldeisers bezien geen bezwaar tegen een overboeking van geld van de rekening van de ene (tot een groep behorende) rechtspersoon naar de rekening van de andere. Het ligt evenwel anders als geld wordt onttrokken aan een rechtspersoon op een moment waarop de aanmerkelijke kans bestaat dat die rechtspersoon zal failleren (en daarmee de rechten van de schuldeisers verkort zullen worden). De verdachte die zich daarvan bewust is en desalniettemin, die kans aanvaardend, het geld overboekt, handelt (in beginsel) ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’.
fundingen aangevoerd dat alle dochtermaatschappijen een
management feedienden te betalen aan de moeder. Het hof wijst erop dat getuige [verbalisant 2] heeft verklaard de administratie te hebben doorgenomen en ‘daarin geen enkele onderbouwing van management fees of funding te hebben aangetroffen.’ Op basis van onder meer die verklaring trekt het hof vervolgens de conclusie dat de verdachte als bestuurder van [E] B.V. ‘onverplicht geldbedragen van deze vennootschap tot een totaalbedrag van € 29.700,- (heeft) overgeboekt naar een andere vennootschap van zijn [F] groep’. Naar het mij voorkomt heeft het gerechtshof daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd dat bij dit bedrag van (geoorloofde)
fundinggeen sprake was.
NJ2014/325 m.nt. Van Schilfgaarde ( [...] /Maas). Daarin had de (enig) bestuurder van de beheervennootschap, die op zijn beurt enig bestuurder was van de dochtervennootschap, welke in financiële moeilijkheden verkeerde, namens die dochtervennootschap substantiële betalingen gedaan aan de beheervennootschap (deels ten behoeve van management fees). Het hof had de bestuurder tot schadevergoeding aan de curator (van de dochtervennootschap) verplicht. Uw Raad (civiele kamer) overwoog ‘dat de betrokken bestuurder op grond van onrechtmatige daad voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade’. In de onderhavige strafzaak is, zo heeft het hof vastgesteld, van een onderbouwing van de betaling niet eens gebleken.
fundingbedoelde en hoe dat in zijn werk ging, overweegt dat de verdachte ‘als bestuurder van [E] BV op een moment waarop hij wist dat het faillissement van deze vennootschap aanstaande was, onverplicht geldbedragen van deze vennootschap tot een totaalbedrag van € 29.700,- (heeft) overgeboekt naar een andere vennootschap van zijn [F] groep’. Daarmee heeft het hof aangegeven dat en waarom het door de verdediging betrokken standpunt niet is aanvaard. Tot een nadere motivering was het hof naar het mij voorkomt in het licht van het voorgaande niet gehouden. [12]
fundingis verworpen, en heeft de bewezenverklaring van het handelen ‘ter bedrieglijke verkorting’ toereikend met redenen omkleed.
derdemiddel klaagt over de bewijsvoering van de onder 2 primair onder A en B bewezen verklaarde ‘bedrieglijke bankbreuk’. Uit die bewijsvoering zou niet blijken dat door het niet of onjuist voeren c.q. overdragen van de administratie (aan de curator) de aanmerkelijke kans is ontstaan dat de rechten van de schuldeisers worden verkort, althans dat die aanmerkelijke kans door de verdachte welbewust is aanvaard. Daardoor zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed.
2. primair
1.primair onder B.1, B.2 en B.3 en 2 primair onder B.1, B.3 en B.4
2.primair onder B.1, B.3 en B.4
NJ2017/376 m.nt. Keulen.
NJ2017/376, m.nt. Keulen, heeft dat naar het mij voorkomt geen kans van slagen. In die zaak was ten laste gelegd en bewezen verklaard dat de verdachte in een periode voorafgaand aan het faillissement de administratie niet had gevoerd of bewaard [16] en in een periode na het faillissement de administratie niet te voorschijn had gebracht. Uw Raad casseerde aangezien de bewezenverklaring ‘voor zover behelzende dat de verdachte heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s)’ niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen’. Uw Raad overwoog daarbij ‘dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en de bewijsvoering voorts de mogelijkheid openlaat dat de verdachte – indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest – zich van die aanmerkelijke kans niet bewust is geweest.’ [17] Deze overweging ziet op het niet of ondeugdelijk voeren van de bedrijfsadministratie en niet op het ‘niet tevoorschijn brengen’ van een gevoerde administratie. Tegen de achtergrond van het gestelde in het vorige randnummer is er goede reden daartussen verschil te maken.
vierdemiddel keert zich tegen de bewijsmotivering van het onder 3 bewezen verklaarde ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten niet verantwoorden bij de curator. Uit de bewijsmiddelen zou (ook hier) niet blijken dat door het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans is ontstaan dat de schuldeisers daadwerkelijk benadeeld zouden kunnen worden en dat – indien deze kans aanwezig zou zijn – de verdachte die kans ook heeft aanvaard.
BFK: 2009) in totaal € 19.000,- euro heeft opgenomen. Het verweer van verdachte dat deze geldopnames betrekking hadden op leningen van vader [betrokkene 3] aan verdachte, wordt verworpen nu de daartoe eerst ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde leningsovereenkomsten dateren van ver vóór het faillissement van verdachte (namelijk van maart, juli, augustus, september en december 2008 en van 2 februari 2009).
vijfdemiddel klaagt dat het hof (bij de strafoplegging) geen rekening heeft gehouden met de wetswijziging van 1 juli 2016, waardoor ‘de bewaar- en administratieplicht uit artikel 341 Sr Pro is geschrapt en in twee nieuwe artikelen is ondergebracht, namelijk de artikelen 344a en 344b Sr, waarbij het opzettelijk niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht thans met een aanzienlijk lager strafmaximum wordt bedreigd’. Deze klacht is van belang in verband met (een deel van) de bewezenverklaring van feit 2 .
zesdemiddel klaagt dat art. 6 EVRM Pro is geschonden omdat de redelijke termijn is overschreden. Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat tussen de dag van het instellen van beroep in cassatie, 21 november 2016, en die van de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad, 13 december 2017, meer dan acht maanden zijn verstreken.