Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde feit onvoldoende met redenen heeft omkleed.
NJ2008/609 m.nt. Mevis. In deze zaak was de verdachte in het donker ingereden op een politieagent, maar was hij op het laatste moment naar links uitgeweken, naar eigen zeggen omdat hij de agent niet wilde raken. In hoger beroep werd door de verdediging het verweer gevoerd dat (voorwaardelijk) opzet niet kon worden bewezen. Het hof verwierp dit verweer en veroordeelde de verdachte voor een poging tot zware mishandeling. De Hoge Raad liet het arrest in stand en overwoog dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was, ook niet in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij naar links was uitgeweken omdat hij het slachtoffer niet wilde raken, aangezien dit uitwijken eerst geschiedde toen hij vlak voor het slachtoffer was. [14]
NJ2008/609, doet de uitwijkpoging van de verdachte niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat de verdachte eerst uitweek nadat [betrokkene 1] ten val was gekomen. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte door zijn handelwijze voorafgaand aan de val van [betrokkene 1] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel zou optreden doordat hij ten val zou komen en doordat de auto van de verdachte hem zou raken. Daarbij neem ik voorts in aanmerking dat de bewezenverklaring niet is toegesneden op een poging tot doodslag, maar op een poging tot zware mishandeling.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde (bedreiging met zware mishandeling) onvoldoende met redenen heeft omkleed.
NJ2011/225 m.nt. Keijzer ging het om een achtervolging door de verdachte – een automobilist – gedurende bijna een uur, nadat de verdachte het slachtoffer – eveneens een automobilist – met hoge snelheid had achtervolgd, naast haar had gereden, haar tot stoppen had gedwongen, voor haar auto was gestopt en boos en druk gebarend op haar was toegelopen en tegen de ruiten van haar auto had geslagen. Het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat door deze handelingen de gerede vrees kon ontstaan dat de verdachte door zijn gedrag een verkeersongeluk zou veroorzaken dan wel dat de ontstane situatie de verdachte tot handelingen zou hebben kunnen brengen die de dood ten gevolge hadden kunnen hebben, bleef in cassatie in stand. In de andere zaak ging het om een dertienjarige fietser die verzuimd had voorrang te verlenen aan de verdachte, een automobilist. [19] De verdachte was daarop achter hem aangereden en was hem door verschillende straten op zeer korte afstand (een halve meter) blijven volgen, ook nadat de fietser was omgekeerd. Daarbij had de verdachte veel gas gegeven en de fietser uiteindelijk met de voorkant van zijn auto geschampt. In cassatie werd tevergeefs geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat sprake was van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
derde middelbehelst de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat er geen causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de val van [betrokkene 1] , zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, althans dat de opgegeven redenen ongenoegzaam zijn, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
vierde middelbehelst de klacht dat het hof de verwerping van het beroep op noodweer ontoereikend heeft gemotiveerd.