Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Beslissing
16 mei 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een benadeelde partij haar schadevordering tijdens de strafprocedure mocht verhogen nadat de officier van justitie zijn requisitoir had gehouden. De verdachte was veroordeeld voor verduistering van bedragen die toebehoorden aan een Vereniging van Eigenaren (VVE). De benadeelde partij had haar schadevordering aanvankelijk vastgesteld op €22.700, maar verhoogde deze later tot €29.700.
Het hof had geoordeeld dat de benadeelde partij de vordering mocht verhogen omdat de officier van justitie en de verdediging na de wijziging opnieuw in de gelegenheid waren gesteld om te reageren. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat artikel 51g Sv niet uitsluit dat een benadeelde partij haar vordering wijzigt na het requisitoir, mits de procespartijen de mogelijkheid krijgen zich hierover uit te spreken.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte gehouden is tot vergoeding van de volledige schade die het directe gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit, ook als deze hoger is dan het bedrag dat in de bewezenverklaring is opgenomen. De concrete omstandigheden en het verband tussen het handelen van de verdachte en de geleden schade zijn bepalend.
Het cassatieberoep van de verdachte werd verworpen, waarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden werd bekrachtigd. De verdachte is veroordeeld tot betaling van €29.700 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juli 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte gehouden is tot betaling van €29.700 schadevergoeding aan de benadeelde partij, inclusief wettelijke rente.