Conclusie
eerste middelhoudt in dat de verwerping van het ter terechtzitting uitdrukkelijk gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wegens schending van het pressieverbod blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
tweede middelklaagt dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaruit blijkt dat de verdachte [betrokkene 2] zou hebben gevraagd om een mes in het lichaam van [betrokkene 3] te steken.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zo gering is dat deze niet tot strafvermindering behoeft te leiden, onvoldoende is gemotiveerd en voorbijgaat aan gevestigde rechtspraak.
vierde middelklaagt dat de beslissing van het hof inhoudende dat de verdachte wordt verwezen in de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij [betrokkene 1] , onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
vijfde middelklaagt over het oordeel van het hof dat door het onder 9 bewezenverklaarde feit “oplichting” de benadeelde partij Nationale Nederlanden rechtstreekse schade is toegebracht voor een bedrag van € 12.854,02.