Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Beoordeling van de middelen voor het overige
7.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
Op 20 december 2011 werden drie personen, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], in Landsmeer en Purmerland om het leven gebracht door schotverwondingen. Verdachte en zijn mededaders waren betrokken bij de gebeurtenissen die voorafgingen aan de dood van de slachtoffers, waaronder observatie, achtervolging en het klemrijden van voertuigen.
Het hof Amsterdam heeft vastgesteld dat verdachte samen met een mededader op de Kanaaldijk gewapend uit de auto stapte en op [slachtoffer 1] afging, waarna deze werd doodgeschoten. Hoewel niet kon worden vastgesteld wie het dodelijke schot loste, achtte het hof verdachte medepleger. Vervolgens zijn op het Burgtpad ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door verdachte en mededader met een automatisch wapen om het leven gebracht.
De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte niet als medepleger kon worden aangemerkt omdat hij bewust mis had geschoten, en dat het bewijs onvoldoende was omdat het steunde op verklaringen van één getuige. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de bewezenverklaring en oordeelde dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, voldoende voor medeplegen. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het hofarrest en veroordeelt verdachte voor medeplegen van doodslag op drie slachtoffers.