Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging wegens schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte. De verdachte was na het instellen van hoger beroep uitgezet naar Algerije, ondanks verzoeken van zijn raadsman om aanwezig te mogen zijn bij de behandeling van zijn zaak.
Het hof oordeelde dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte, gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro, was geschonden en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. De Hoge Raad herhaalt dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen geldt bij vormverzuimen of inbreuken op verdedigingsrechten, mits deze onherstelbaar zijn.
De Hoge Raad constateert dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld of het aanwezigheidsrecht alsnog kon worden effectueren en of de inbreuk onherstelbaar was. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep op de bestaande feiten en omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering over de onherstelbaarheid van de schending van het aanwezigheidsrecht.