Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het door het Hof bewezen verklaarde feit van witwassen van een geldbedrag van ongeveer 15.679 euro, afkomstig uit eigen misdrijf, juridisch correct was gekwalificeerd. De verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens het voorhanden hebben, omzetten en gebruiken van dit bedrag, terwijl hij wist dat het uit een misdrijf afkomstig was.
De verdediging voerde in cassatie aan dat de kwalificatie van 'voorhanden hebben' als witwassen niet correct was, verwijzend naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad over de kwalificeerbaarheid van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf. De Hoge Raad overwoog echter dat het Hof ook had bewezen dat de verdachte het geldbedrag had omgezet en gebruikt, waardoor het ontbreken van zelfstandige betekenis aan 'voorhanden hebben' niet tot cassatie leidt.
De Hoge Raad concludeerde dat de klacht van de verdachte onvoldoende belang had om tot cassatie te leiden en verwierp het beroep. Hiermee bleef het arrest van het Hof Den Haag van 22 september 2016 in stand, waarin de verdachte werd veroordeeld voor witwassen.
De uitspraak benadrukt de samenhang tussen de verschillende gedragingen die onder witwassen vallen en bevestigt de jurisprudentie omtrent de kwalificatie van het voorhanden hebben van geld afkomstig uit eigen misdrijf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor witwassen van circa 15.679 euro blijft in stand.