Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
[naam persoon 1] krijgt 20 jaar of meer onterechte uitkering. Het gaat om haar woonsituatie, ze woont samen met haar man en kinderen in [adres 2] in [plaats 1] Ze zijn niet getrouwd, maar wonen heel lang samen en met heel lang bedoel ik dan meer dan 20 jaar. De man heeft een baan en mevrouw [naam persoon 1] krijgt uitkering, hierdoor hebben ze veel inkomen. Haar man gaat in de ochtend naar werk en komt na werk weer naar haar huis. Ook staat deze meneer niet ingeschreven op het adres van [adres 2] .
- Een bericht van het IBF na de uitslag van het onderzoek In [land] te hebben ontvangen, het volgende: ‘
- Rapportage Vermogens onderzoek waarin een dossier onderzoek, internetonderzoek en een bezoek aan de Afdeling Onroerende Zaakbelasting van de gemeente [gemeente] ;
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1988/99, 26 727, nr. 3, blz. 144). Waar de belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (analoog aan artikel 4 AWR Pro). Het gaat daarbij kort gezegd om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt (vgl. Hof Amsterdam 17 mei 2016, nr. 15/00064, ECLI:NL: GHAMS:2016:1972).
- de verklaringen van de getuigen [naam persoon 2] , [naam persoon 3] en [naam persoon 4] dat zij tijdens de in hun verklaringen vermelde perioden woonden op het adres [adres 1] , dat zij deze woonruimte huurden van belanghebbende en dat belanghebbende zelf niet op dit adres woonachtig was (p-v, par. 17.1-17.3 );
- de verklaringen van [naam persoon 2] en [naam persoon 3] worden onderbouwd door de tijdens de doorzoeking van de woning [adres 2] aangetroffen huurovereenkomst tussen belanghebbende (als verhuurder) en [naam persoon 2] (als huurder) van de woning [adres 1] voor de periode 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014 (p-v, par. 20 );
- de getuigenverklaringen van (oud-)bewoners van [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] (p-v, par. 9, 16.1, 16.2 en 16.3 ). Deze getuigen verklaren eensluidend dat zij belanghebbende en [naam persoon 1] herkennen als de bewoners (in 2014 reeds gedurende meer dan tien jaar), samen met hun drie kinderen, van [adres 2] . Getuigen [naam persoon 6] en [naam persoon 7] zagen belanghebbende vrijwel dagelijks van zijn werk thuiskomen op het adres [adres 2] ;
- de in par. 6 van het p-v vastgelegde waarnemingen in mei en juli 2014 alsmede de in par. 15 vermelde stelselmatige observaties in augustus en september 2014, waarbij is waargenomen (kort samengevat) dat belanghebbende op werkdagen de woning [adres 2] dagelijks ’s ochtends vroeg verliet en er eind van de middag weer terugkeerde.