Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
Verdachte werd door het hof bewezenverklaard dat zij op 14 oktober 2014 een medebewoner mishandelde door een beker heet water in het gezicht van het slachtoffer te gooien. De bewijslast berustte op onder meer het proces-verbaal van aangifte, getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf.
De verdediging stelde dat de verklaring van een belangrijke getuige, die aanwezig was in de instelling, onbetrouwbaar was en verzocht om deze getuige te horen. Dit verzoek werd door het hof afgewezen, omdat het verzoek pas laat in het proces werd gedaan en onvoldoende was onderbouwd, mede gelet op het feit dat de verklaring van de getuige steun vond in andere bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de afwijzing van het verzoek voldoende had gemotiveerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad herhaalde daarbij de relevante jurisprudentie over de motiveringsplicht bij afwijzing van getuigenverzoeken en bevestigde dat de afwijzing in dit geval terecht was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afwijzing van het verzoek om de getuige te horen.