Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die op 7 juli 2013 op luchthaven Schiphol werd betrapt met een zwart-rode koffer waarin cocaïne was aangetroffen. De verdachte stelde dat de koffer niet van haar was, maar het hof achtte deze verklaring onaannemelijk en baseerde de bewezenverklaring op andere feiten en bewijsmiddelen.
De Hoge Raad herhaalt de motiveringsverplichting omtrent bewezenverklaring en oordeelt dat het hof ten onrechte delen van de verklaring van de verdachte onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen, maar dat dit niet leidt tot vernietiging omdat de bewezenverklaring zonder deze onderdelen toereikend gemotiveerd is.
Verder is vastgesteld dat de verdachte verantwoordelijk is voor de bagage die zij van de bagageband heeft gepakt, en dat er geen aanwijzingen zijn dat een andere koffer was achtergebleven. De verdediging stelde ook schending van artikel 6 EVRM Pro wegens het wissen van camerabeelden, maar het hof oordeelde dat de verdachte voldoende gelegenheid had om haar verdediging te voeren.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn in cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 naar 34 maanden. Het beroep wordt verder verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van 36 naar 34 maanden wegens overschrijding redelijke termijn, bewezenverklaring omtrent invoer cocaïne bevestigd.