De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van bijstandsfraude, omdat zij samen met een medeverdachte opzettelijk naliet tijdig de benodigde gegevens over hun gezamenlijke huishouding te verstrekken aan de uitkeringsinstantie. De periode van de fraude strekt zich uit van 1 februari 2009 tot en met 21 juni 2016.
Het bewijs bestond uit verklaringen van getuigen, controleformulieren van de gemeente, waterverbruiksgegevens die niet strookten met de opgegeven woonsituatie, facturen van een camping waar zij samen verbleven, en verklaringen van de verdachte zelf. De rechtbank en het hof oordeelden dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding en economische verstrengeling, en dat de verdachte wist van de meldingsplicht en deze bewust heeft geschonden.
De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat het hof onterecht had geoordeeld over haar opzet en actieve bijdrage. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde het oordeel dat sprake was van medeplegen op basis van een gezamenlijk plan, en oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom de verdachte wist van de inlichtingenplicht en bewust heeft nagelaten deze na te komen. Wel werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidt tot strafvermindering, maar het cassatieberoep werd verder verworpen.
Uitkomst: De veroordeling voor medeplegen bijstandsfraude wordt bevestigd, met vermindering van de strafduur wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01300
Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 3 augustus 1956,
hierna: de verdachte
1.Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens bijstandsfraude, te weten "medeplegen van het in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voorde vaststelling van haar recht op een verstrekking", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarbij heeft het hof bevolen dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01301. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel komt met een tweetal motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van medeplegen van het nalaten tijdig gegevens te verstrekken als bedoeld in art. 227b Sr. Het tweede middel keert zich tegen het gebruik voor het bewijs van een ongeloofwaardig geachte verklaring van de verdachte. Het derde middel klaagt over het tot het bewijs bezigen van de verklaring van de medeverdachte. Alvorens de middelen te behandelen, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weer.
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
2.1
Het hof heeft het vonnis integraal bevestigd en daarmee de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de rechtbank tot de zijne gemaakt.
2.2
Ten laste van de verdachte is daarin bewezen verklaard dat:
“zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 21 juni 2016 te [plaats] , en te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander in strijd met een medeverdachtes bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 WetPro werk en bijstand en/of artikel 17 ParticipatiewetPro, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente te verstrekken, immers heeft medeverdachte telkens niet aan genoemde instantie gemeld - zakelijk weergegeven - dat verdachte een economische eenheid heeft gevormd met en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met en heeft samengewoond met [medeverdachte] op de adressen [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] en op de [camping] te [plaats] en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte, wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van eens ander recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.”
2.3
Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“1. de verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 28 september 2020, voor zover inhoudend:
Ik ken [medeverdachte] al heel lang. Zij woont op het adres [c-straat 1] te [plaats] . Ik ging vanaf 2010 vaak naar de [camping] te [plaats] . [medeverdachte] ging dan ook mee. Ik heb een auto gehad (Renault Express, kleur wit. [kenteken 1] ) die heeft korte tijd op naam van [medeverdachte] geregistreerd gestaan en daarna weer op mijn eigen naam. Omdat ik problemen had met de belastingdienst deed ik deze truc. [medeverdachte] heeft scooters gekocht in Enschede, één voor haar en één voor mijzelf. Het geld dat zij voor mijn scooter had betaald kreeg zij later van mij terug. Zij paste ook vaak op mijn kleinkinderen. Wij deden samen boodschappen en zij haalde ook voor mij het pakket van de voedselbank op. [medeverdachte] heeft voor mij gezorgd toen ik ziek was en ik heb voor haar gezorgd toen zij ziek was. Ik krijg zelf ook een uitkering. In het verleden ben ik zelf verdachte geweest in een strafzaak rondom uitkeringsfraude daarom heb ik juist met [medeverdachte] besproken over wat er mag of niet mag, in het kader van samenwonen, in combinatie met een uitkering.
De voorzitter vraagt mij of ik bereid en in staat ben om een taakstraf te verrichten. Ik antwoord hierop dat, indien met mijn fysieke beperkingen rekening wordt gehouden, ik wel in staat ben om een taakstraf te verrichten.
2. een geschrift, te weten een overzicht van de verblijfshistorie, als bijlage gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend:
Hieronder is de verblijfshistorie van verdachten opgenomen. De gegevens zijn afkomstig uit het landelijk BRP
[medeverdachte] :
[c-straat 1] , [plaats] 01/02/2009
[verdachte]
[b-straat 1] , [plaats] 01/04/2013
Dom [a-straat 1] , [plaats] 01/03/1996
3. het proces-verbaal van bevindingen, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente, opgemaakt op 10 april 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend:
Op 10 april 2017 ben ik naar de woning gegaan van de [betrokkene 1 en betrokkene 2] . Zij woonden in het verleden aan de [a-straat 2] te [plaats] en waren buren van [verdachte] en [medeverdachte] .
Beiden hebben 42 jaar aan de [a-straat 2] te [plaats] gewoond.
[verdachte] is daar komen wonen. [verdachte] had via contactadvertenties [medeverdachte] ontmoet. [medeverdachte] woonde toen nog in Friesland en is voor [verdachte] naar [plaats] gekomen.
[medeverdachte] heeft verteld dat ze een huisje had in de [c-staat ] . In de zomermaanden waren ze heel veel op [camping] in [plaats] . Korte tijd voordat zij zelf verhuisd zijn, zijn [verdachte] en [medeverdachte] verhuisd naar de [plaats] . Als laatste kunnen ze zich herinneren dat de kleinzoon [betrokkene 1] daar ook geregeld bij hun thuis was. Zij zagen [verdachte] en [medeverdachte] dagelijks aan de [a-straat 1] .
4. een geschrift, te weten een handgeschreven getuigenverklaring, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente, opgemaakt op 17 februari 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 2] , wonende op het adres [c-straat 2] te [plaats] (O):
U vraagt mij naar de bewonders van [c-straat 1] . Omdat ik al jaren in de buurt woon en dagelijks meerdere keren mijn hond uitlaat. Op [c-straat 1] woont niemand. De vrouw ken ik niet van naam maar ik zie haar ongeveer één keer per week op de scooter, soms in een scootmobiel en soms in een auto. Zij heeft ook eén keer verteld over de camping. Ik weet zeker dat zij er niet woont want ik loop er vier keer per dag langs en ik zie haar nooit.
5. een geschrift, te weten een handgeschreven getuigenverklaring, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente, opgemaakt op 17 februari 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 3] , wonende op het adres [c-straat 4] te [plaats] (O):
U vraagt mij naar de buren op [c-straat 1] . Daar staat een vrouw ingeschreven. Toen ik er in oktober 2015 kwam wonen heeft zij zich voorgesteld als [medeverdachte] . Zij is er eigenlijk nooit. Zij komt alleen op maandag of dinsdag met haar scooter aangereden. Zij gaat naar binnen. Ik hoor dat zij een stofzuiger pakt en ik hoor haar praten. Ik weet zeker dat zij op de ander dagen niet aanwezig is omdat ik dan geen scooter zie en verder ook niets van haar hoor. De woningen zijn gehorig dus je hoort er zo goed als alles.
6. een geschrift, te weten een handgeschreven getuigenverklaring, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente, opgemaakt op 29 maart 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 4] , wonende op het adres [c-straat 3] te [plaats] (O):
Ik woon hier vierjaar. Ik zag [medeverdachte] weleens aankomen met de scooter, Dat is rond 09:00 uur. zij verbleef hier kort en ging dan weer weg. Als de schoonmaakster komt dan komt zij ook. [medeverdachte] heeft in het verleden weleens tegen mij gezegd dat zij bij haar partner woont.
7. een geschrift, te weten een handgeschreven getuigenverklaring, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente , opgemaakt op 28 maart 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 5] , wonende op het adres [b-straat 2] te [plaats] (O):
Ik woon samen met mijn vrouw al vijfendertig jaar op dit adres. U vraagt mij naar de bewoners van [b-straat 1] . Daar wonen twee vrouwen. Ik weet hun namen niet. Wij zien ze vaak omdat zij bij mooi weer via de achterzijde de woning met de scooter verlaten. Zij hebben ook een scootmobiel en een auto. Zij kwamen hier wonen toen de vorige bewoner kwam te overlijden. Ik denk vanaf 2013 ongeveer. Voorheen hadden ze een witte auto zoiets als de paus had.
8. een geschrift, te weten een handgeschreven getuigenverklaring, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente , opgemaakt op 28 maart 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als de verklaring van [betrokkene 6] , wonende op het adres [b-straat 4] te [plaats] (O):
U vraagt mij naar de buren van [b-straat 1] . Daar wonen [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] staat officieel ingeschreven op een ander adres. Zij hebben allebei een scooter. Ik zie [medeverdachte] dagelijks. [verdachte] zit de hele dag achter de computer en [medeverdachte] doet alle werk.
9. Een geschrift zijnde een toekenningsbrief “WWB, toekenning uitkering” van 24 maart 2009, kenmerk: 0100005922 , waarin staat vermeld:
Geachte [medeverdachte] ,
Op 21 januari 2009 hebt u een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Wij hebben besloten u deze toe te kennen vanaf 1 februari 2009.
Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering zijn wij van het volgende uitgegaan.
U bent alleenstaande (artikel 4, aanhef en onder a, WWB).
De bijstandsnorm is € 898,70 per maand (70% van de gehuwdennorm). Dit is de bijstandsnorm voor alleenstaanden, waarbij rekening is gehouden met de volgende omstandigheden:
u bent 23 jaar of ouder en jonger dan 65 jaar;
u deelt de noodzakelijke kosten van het bestaan niet met een ander;
u hebt woonkosten.
U bent verplicht direct alles te melden wat van invloed kan zijn op uw uitkering en arbeidsinschakeling. Als dit mogelijk is moet u daarvan bewijsstukken overleggen.
Bovendien dient u die medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet (artikel 17 enProartikel 55 WWBPro). In de bijlage kunt u voorbeelden lezen van situaties waarin u informatie moet verstrekken. Als er zich in uw persoonlijke situatie een wijziging voordoet die van invloed kan zijn op de hoogte of de voortzetting van uw uitkering, moet u deze wijziging doorgeven.
10. Geschriften, telkens zijnde controleformulieren, gemeente [plaats] , telkens ondertekend door verdachte, met betrekking tot de periode de periode 01-04-2013 t/m 30-4-2013, 01-04-2014 t/m 30-04-2014 en 01 -04-2015 t/m 30-04-2015
Verdachte woonachtig op het adres: [c-straat 1] , [plaats] heeft op de vragen
“de samenstelling van bovenstaande gegevens van de gezinssamenstelling niet zijn gewijzigd” “het bovengenoemde woon- en verblijfsadres voor alle gezinsleden klopt”.
“U weet dat
- U belangrijke wijzigingen direct moet melden bij Sociale Zaken. (bijvoorbeeld wanneer u aan het werk gaat, gaat verhuizen of uw gezinssamenstelling wijzigt)
- Wij de uw uitkering kunnen verlagen, beëindigen en terugvorderen wanneer u ons onjuist of onvolledig informeert.
- U strafrechtelijk vervolgd kunt worden wanneer u met opzet onjuiste of onvolledige informatie verstrekt.”
11. het proces-verbaal van bevindingen, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de Sociale Recherche Twente (pagina 3 tot en met 7), opgemaakt op 27 augustus 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend:
Op 1 februari 2009 werd door [medeverdachte] een aanvraag ingediend bij de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Hengelo voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en bijstand (later Participatiewet). Daartoe werd door verdachte een aanvraag- en/of inlichtingenformulier ingevolge deze wet ingevuld, gedagtekend en ondertekend.
Naar aanleiding van de ingediende aanvraag werd bij besluit van Burgemeester en Wethouders van gemeente [plaats] ingaande 01-02-2009 aan verdachte een uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand/Participatiewet.
De gemeente [plaats] maakt gebruik van controleformulieren. Over de periode 01-04-2013 t/m 30-4-2013, 01-04-2014 t/m/ 30-04-2014 en 01 -04-201 5 t/m 30-04-2015 heeft de gemeente deze formulieren aan verdachte [medeverdachte] verzonden.
Op de formulieren heeft verdachte niet ingevuld dat zij op een ander adres een gezamenlijke huishouding voert. Zij heeft de formulieren voor waarheid ondertekend. Op een aanvraagformulier bijzondere bijstand vult verdachte in dat zij alleenstaand zonder kinderen is. Zij ondertekent deze op 17-4-2015. Indien verdachte had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [verdachte] dan was aan haar geen uitkering verstrekt.
Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van [plaats] , is ingaande 21-06-2016 de uitkering aan verdachte [medeverdachte] beëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
[camping]
Bij [camping] is informatie opgevraagd over verdachten. Op dinsdag 28-3-2017 kwam een antwoord per mail. In de mail staat dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben op onze camping een seizoenplaats gehad in 2009-2010-2011 tot augustus 2012 ( van de laatste een bijlage) voor hun 2en en hun broer [betrokkene 7] kwam ook af en toe op bezoek. Op de bijgevoegde factuur staat [medeverdachte] , [a-straat 3] te [plaats] . Het betreft de betaling van stageld, winterstalling, dag bezoek, 2 honden 2 personen. Ik heb telefonisch contact opgenomen met de eigenaren. Zij kennen verdachten wel en kunnen zich goed herinneren dat zij op de camping stonden. In het seizoen waren ze elk weekend aanwezig en alle mooie dagen en vakantieperioden.
Waterverbruik
Op 6 december 2016 is het waterverbruik vanaf 2009 op de [c-straat 1] opgevraagd bij [B] . Op 13 december 2016 is het waterverbruik vanaf 2013 op de [b-straat 1] opgevraagd bij [B] . Voor beide adressen is een reacie ontvangen.
Het gemiddeld verbruik voor een eenpersoonshuishouden ligt rond de 45m3, voor twee personen rond de 91 m3, voor drie personen rond 137m3, voor vier personen rond de 169m3. De aansluiting op het adres waar verdachte [medeverdachte] staat ingeschreven, [c-straat 1] , [plaats] staat op naam van [medeverdachte] (begindatum contract 09-01- 2009). Het verbruik op dit adres is niet in lijn met het aantal ingeschreven personen (1). Er wordt veel minder verbruikt dan bij een eenpersoonshuishouden verwacht mag worden. In het verbruik op dit adres zijn bijzonderheden opgevallen. Het verbruik kent over de jaren 2009 tot en met 2012 harde gegevens. Ook de meterstand van 19-04-2016 is hard, aangezien toen de meterwisseling heeft plaatsgevonden. Over de jaren 2012 tot en met 2016 is er gemiddeld zo'n 4,25 m3 verbruikt. Over alle jaren, dus vanaf 2009, is het waterverbruik zo laag, dat er redelijkerwijs niet aangenomen kan worden dat de woning feitelijk bewoond was.
De aansluiting op het adres waar verdachte [verdachte] staat ingeschreven; [b-straat 1] , [plaats] staat op naam van [verdachte] (begindatum contract 01-04-2013). Het verbruik op dit adres is niet in lijn met het aantal ingeschreven personen (1). Er wordt veel meer verbruikt dan bij een eenpersoonshuishouden verwacht mag worden. In het verbruik op dit adres zijn bijzonderheden opgevallen. Het verbruik kent over de jaren 2013, 2014 en 2016 harde gegevens. Het verbruik over 2015 is geschat. Vanaf 09-10-2014 tot met de meterwisseling op 28-03-2016 (ongeveer 1,5 jaar) is er 119 m3 verbruikt. Het waterverbruik is vanaf 2013 dermate hoog, dat er sprake is van een gemiddeld gebruik voor 2 personen (ong. 91 m3).
Scooters
Op donderdag 6 april 2017 heb ik het Scooterpaleis [plaats] in [plaats] bezocht. Hieruit is duidelijk geworden dat op 15-09-2012 twee bromfietsen( scooters) gekocht zijn met kenteken [kenteken 2] en [kenteken 3] . De factuur is per pin betaald. Het totale bedrag is € 2400,00 en de factuur staat op naam van verdachte [medeverdachte] , [c-straat 1] te [plaats] .
Benadelingsbedrag
In verband met het vorenstaande werd door de financiële administratie van de gemeente [plaats] vastgesteld, dat aan verdachte over de periode 01-02-2009 t/m 21-06-2016 ten onrechte uitkering was verstrekt tot een bruto bedrag van € 109.717,57.
12. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 28 maart 2017 bevattende informatie van [camping] betreffende verdachte, voor zover zakelijk weergegeven, inhoudend:
[verdachte] en [medeverdachte] hebben op onze camping een seizoenplaats gehad in 2009-2010-2011 tot augustus 2012 (van de laatste een bijlage) voor hun 2en.
13. Een geschrift, te weten een factuur van 28 maart 2017 van [camping] betreffende verdachte voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Ten name van
[medeverdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Betalingsoverzicht
Seizoenplaats 33 van 02-04-2012 tot 04-08-2012
14. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van klantenservice@ [B] van 14 december 2016 betreffende verdachte inhoudende:
15. Een geschrift, te weten een factuur van 15 september 2012 van Scooterpaleis [plaats] in Enschede, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend:
[medeverdachte]
[c-straat 1]
[plaats]
Factuur
[C] ( [kenteken 2] )
Framenummer: [nummer 1]
[C] ( [kenteken 3] )
Framenummer: [nummer 2]
Totaal € 2.400,00
16. het proces-verbaal van verhoor, als bijlage gevoegd bij het próces-verbaal van de Sociale Recherche Twente , opgemaakt op 28 maart 2017, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudend als verklaring van [medeverdachte] :
V= vraag verbalisant
A= antwoord verdachte
V: Hoe verplaatst u zich als u ergens naar toe moet?
A: Met de brommer, of ik ga met de trein. De scooter/brommer staat bij mijn vriendin.
V: Heeft u ooit de beschikking over een eigen auto gehad? Welke auto was dit?
A: Een korte tijd heeft de auto van de moeder van mijn vriendin, [verdachte] op mijn naam gestaan. Een Renault Express, kleur wit. [kenteken 1] .
V: Wie gebruikte de auto?
A: De auto gebruikte ik wel.
V: Wij hebben gegevens opgevraagd bij het RDW. Op 01-08-2009 komt de auto op naam van [verdachte] . Tot 04-10-2011 heeft de auto op haar naam gestaan. Op 04-10-2011 komt de auto op uw naam. Dat duurde tot 09-04-2013. Van 09-04-2013 tot 16-06-2014 is de auto weer op naam gekomen van [verdachte] . Daarna komt de auto weer op uw naam, namelijk van 16-06-2014 tot 27-05-2015. Waarom die wisseling?
A: Zij vroeg dan aan mij of ik dat wilde en ik vond dat goed.
V: Rijd u in de huidige auto?
A: Ja.
V: Hoelang kent u [verdachte] .
A: Dat is al sinds 2009.Ik heb bij de sociale dienst doorgegeven dat ik bij mijn vriendin bleef overnachten. Af en toe een paar nachten was dat. Dat was al in 2009.
V: U heeft een sleutel van de woning van [verdachte] ?
A: Ja, zij is een tijdje niet in orde geweest en toen heb ik een sleutel van de woning gehad. Zij heeft ook een sleutel van mijn woning. [verdachte] heeft veel in het ziekenhuis gelegen. En dan paste ik op de hond.
V: Als u bij [verdachte] bent wie kookt er dan?
A: Meestal halen we een pizza of zo.
V: Wie haalt die dan?
A: Ik of [verdachte] bij de Jumbo. Die haal ik met de brommer of de scootmobiel.
V: Maar bij uw eigen woning heeft u een ruimte voor een scootmobiel maar hij staat bij [verdachte] .
A: Ja
A: De kinderen van [verdachte] en [betrokkene 8] hadden een caravan op [camping] in [plaats] . Daar gingen we weekenden heen en ook weleens in de vakanties door de week. V: Wat kunt u vertellen over [betrokkene 1] ?
A: Ja, zijn ouders werken en [betrokkene 1] moet om half negen naar school. Ik breng hem meestal naar school. Meestal met de brommer, of ik op de scootmobiel en hij op de fiets. 5 a 6 keer in de week. Ik kleed [betrokkene 1] ook vaak aan smeer hem een broodje en breng hem naar school.
V: Morgen moet u naar de plastisch chirurg?
A: Ja, dat klopt. [verdachte] zou met mij meegaan.”
2.4
Verder heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen overgenomen:
“ 4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen is voldoende aannemelijk geworden dat [verdachte] zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bijstandsfraude. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen is voldoende aannemelijk geworden dat de medeverdachte [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode verbleef op het adres van [verdachte] terwijl zij dat niet opgaf aan de uitkeringsinstantie. [verdachte] was hiervan op de hoogte. Daarnaast kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. [verdachte] en [medeverdachte] hebben zorg voor elkaar gedragen. Daarbij is sprake geweest van een economische/financiële verstrengeling die blijkt uit het gezamenlijk dragen van kosten van duurzame gebruiksgoederen, het verrichten van huishoudelijke taken voor de ander, de hoogte van het waterverbruik, de verzorging van de ander tijdens ziekte, het gezamenlijk of voor elkaar inkopen doen, het gezamenlijk gebruik maken van de auto en gezamenlijk op vakantie gaan. [verdachte] heeft gedeeld in het financiële voordeel van de onterecht toegekende hogere uitkering dan waar [medeverdachte] recht op had.
4.2
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft namens verdachte betwist dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en stelt dat het hoofdverblijf van [medeverdachte] niet op de adressen van [verdachte] was, maar dat dit altijd het adres [c-straat 1] in [plaats] is geweest. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van medeplegen van bijstandsfraude nu er in het dossier onvoldoende bewijs is voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte [verdachte] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk nalaten van het verstrekken van de benodigde gegevens aan de. uitkeringsinstantie betreffende het hoofdverblijf van medeverdachte [medeverdachte] en dat zij samen met [medeverdachte] een economische eenheid heeft gevormd dan wel dat zij met [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor het bepalen van het hoofdverblijf in een woning is van belang waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van een persoon zich bevindt; hierbij is de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. Volgens de wet is sprake van een gezamenlijke huishouding ‘indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins'.
De rechtbank overweegt als volgt.
Algemeen
Aan [medeverdachte] is op 1 februari 2009 ingevolge de Wet werk en bijstand/Participatiewet een uitkering toegekend volgens de norm voor alleenstaanden. Zij heeft ten behoeve van deze uitkering als hoofdverblijf het adres [c-straat 1] te [plaats] opgegeven. Deze uitkering is beëindigd ingaande 21 juni 2016. In de toekenningsbrief van de genoemde uitkering, verzonden op 3 maart 2009, is op basis van de door [medeverdachte] verstrekte gegevens als uitgangspunt genomen dat [medeverdachte] de noodzakelijke kosten van het bestaan niet deelt met een ander. Tevens is zij er uitdrukkelijk op gewezen dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering. De gemeente [plaats] zendt steekproefsgewijs controleformulieren naar uitkeringsgerechtigden. [medeverdachte] heeft over de periode 1 april 2013 tot en met 30 april 2013, 1 april 2014 tot en met 30 april 2014, en 1 april 2015 tot en met 30 april 2015 controleformulieren moeten invullen. Zij heeft telkens op de vragen “I.Nieuwe woon- /verblijfplaats van:” ‘‘geen verandering” ingevuld. Op ieder formulier staat voorts telkens dat: “de samenstelling van bovenstaande gegevens van de gezinssamenstelling niet zijn gewijzigd”. Zij heeft de formulieren ondertekend waarmee zij te kennen heeft gegeven te weten dat zij belangrijke wijzigingen direct moet melden bij de uitkeringsinstantie, dat haar uitkering kon worden verlaagd, beëindigd en teruggevorderd wanneer zij de uitkeringsinstantie onjuist of onvolledig zou informeren en dat zij strafrechtelijk vervolgd kon worden wanneer zij met opzet onjuiste of onvolledige informatie zou verstrekken.
Het hoofdverblijf
In de ten laste gelegde periode was sprake van een extreem laag waterverbruik op het adres [c-straat 1] te [plaats] . Dat verbruik varieerde van 1 m3 tot 5 m3 per jaar, terwijl het gemiddelde verbruik van een eenpersoonshuishouden ligt rond de 45 m3 per jaar. Het waterverbruik was (telkens) minder dan 7 m3 per jaar, een ondergrens die in de jurisprudentie wordt gehanteerd om bewoning aannemelijk te maken. Gelet op het feit dat het verbruik daar zelfs nog (ruim) onder ligt, stelt de rechtbank vast dat, op basis van deze gegevens, het niet mogelijk is dat [medeverdachte] haar hoofdverblijf in deze woning heeft gehad. Daar komt bij dat meerdere buren en buurtbewoners hebben verklaard – kortgezegd - dat op het adres [c-straat 1] te [plaats] al jaren niemand woont.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het adres [c-straat 1] te [plaats] (O) niet het hoofdverblijf van [medeverdachte] is geweest in de ten laste gelegde periode.
De gezamenlijke huishouding
Voor de beoordeling of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen [medeverdachte] en [verdachte] zijn de volgende omstandigheden redengevend.
Blijkens een door [B] afgegeven overzicht was het waterverbruik over de periode 1 april 2013 tot en met 3 september 2016 op het adres van [verdachte] in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] hoog voor een eenpersoonshuishouden. Dit waterverbruik varieerde van 72 m3 tot 97 m3 per jaar, terwijl het gemiddelde verbruik van een eenpersoonshuishouden ligt rond de 45 m3 per jaar. Het waterverbruik op genoemd adres van [verdachte] paste bij een tweepersoonshuishouden.
Getuigen hebben bovendien verklaard dat op het adres [b-straat 1] twee vrouwen woonden, de ene buur noemt de namen [medeverdachte] (de roepnaam van [medeverdachte] ) en [verdachte] ( [verdachte] ). [medeverdachte] zou officieel ingeschreven staan op een ander adres. De andere buur . maakt melding van karakteristieke kenmerken zoals de scootmobiel, scooter en ‘een witte auto zoiets als de paus had’. Ook ex-buren van [verdachte] op haar eerdere adres aan de [b-straat ] melden dat die woning door [verdachte] en [medeverdachte] gezamenlijk werd bewoond waarbij [medeverdachte] heeft verteld dat ze een huisje had in de [c-staat ] , omdat ze niet zeker wist of de relatie met [verdachte] wel goed zou gaan.
Verder had [medeverdachte] een sleutel van de woningen van [verdachte] , maakte zij gebruik van de auto van [verdachte] , zette zij beurtelings met [verdachte] auto’s op haar naam, zorgde [medeverdachte] voor de kleinzoon van [verdachte] door hem 5 a 6 keer per week aan te kleden, zijn brood te smeren en naar school te brengen vanaf het adres van [verdachte] , liet zij de hond van [verdachte] uit en haalde zij het voedselpakket van [verdachte] op met een machtiging van [verdachte] .
Veel activiteiten werden door [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk verricht. Van 2009 tot en met 2012 hebben [medeverdachte] en [verdachte] samen een staplaats op de [camping] in [plaats] gehuurd en verbleven zij daar vrijwel ieder weekend. Facturen werden door de camping geadresseerd aan [medeverdachte] en verzonden naar het adres van [verdachte] . Daarnaast deden zij in de onderhavige periode samen boodschappen om daarna samen te eten en gingen zij samen naar artsen,. Verder hebben [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk twee scooters gekocht die [medeverdachte] betaalde en waarvan één scooter op naam van [verdachte] is gezet en door haar werd gebruikt.
Op grond van het vorenstaande kan genoegzaam worden vastgesteld dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] sprake was van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg, zodat de rechtbank oordeelt dat [medeverdachte] met [verdachte] een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank oordeelt gezien het zeer lage waterverbruik van [medeverdachte] sinds 2009 en de verklaringen van de oude buren aan de [a-straat ] , het adres waar [verdachte] tot 1 april 2013 woonde, afgelegd tegenover sociaal rechercheur Keupink, dat zij [medeverdachte] daar dagelijks zagen, dat [medeverdachte] en [verdachte] ook reeds in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (O) een gezamenlijke huishouding voerden. Gelet op de verklaringen van de buren van [verdachte] , het hoge waterverbruik op haar adres aan de [b-straat ] en de overige bovengenoemde bevindingen, concludeert de rechtbank dat deze gezamenlijke huishouding vervolgens gedurende de ten laste gelegde periode door [medeverdachte] en [verdachte] is voortgezet aan de [b-straat ] .
[medeverdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de van de gemeente ontvangen formulieren heeft ingevuld en ondertekend en dat zij wist wat de regels waren. Hoewel zij daartoe verplicht was, heeft [medeverdachte] niet doorgegeven aan de uitkeringsinstantie dat zij een gezamenlijke huishouding voerde in de ten laste gelegde periode op de adressen [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] (O) en op de [camping] te [plaats] . Door aldus te handelen heeft [medeverdachte] opzettelijk nagelaten de benodigde gegevens aan de gemeente te verstrekken voor het vaststellen van de norm ter bepaling van de hoogte van haar uitkering.
Medeplegen
Wil er sprake kunnen zijn van het medeplegen van dit delict, dan moet bewezen kunnen worden dat de opzet van de medepleger rechtstreeks of voorwaardelijk is gericht op de kwaliteit van de andere betrokkene, in die zin dat zij heeft geweten van de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde van die ander en de daarmee verband houdende inlichtingenplicht of tenminste de aanmerkelijke kans van het bestaan van die kwaliteit heeft aanvaard. Daarnaast moet zij geweten hebben of moet het haar in ieder geval redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat haar mededader heeft nagelaten aan die inlichtingenplicht te voldoen. Tenslotte moet er sprake zijn van een essentiële bijdrage van de mededader aan dit niet voldoen aan de inlichtingenplicht.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan.
[verdachte] en [medeverdachte] wisten van elkaar dat zij een uitkering ontvingen. [verdachte] waas er van op de hoogte dat het samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding omstandigheden zijn die door de-ontvanger van een bijstandsuitkering aan de uitkeringsinstantie moeten worden gemeld. Het is onaannemelijk dat [medeverdachte] een bijstandsuitkering zou krijgen wanneer bij de uitkeringsinstantie bekend was dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerde met [verdachte] . [verdachte] kreeg immers zelf ook een uitkering en is in het verleden zelf verdachte geweest in een strafzaak rondom uitkeringsfraude. Juist om die reden heeft zij met [medeverdachte] besproken wat er mag en niet mag waar het gaat om samenwonen in combinatie met een uitkering. Gelet hierop, en mede gelet op de lange periode waarin [verdachte] en [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerden, acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat [verdachte] niet wist dat [medeverdachte] als hoofdverblijf het adres [c-straat 1] te [plaats] had laten registreren ondanks dat zij bij [verdachte] haar hoofdverblijf had.
[verdachte] heeft een essentiële bijdrage geleverd aan het onkundig laten van de betrokken uitkeringsinstantie van het feitelijk samenwonen, door, vanuit hun beider belang voordeel te kunnen blijven trekken uit de uitkering van [medeverdachte] , de situatie te laten voortduren daar waar zij had kunnen en moeten ingrijpen. Ook in dit verband is van belang dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben besproken wat er mag en niet mag waar het gaat om samenwonen in combinatie met een uitkering. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van het gezamenlijk uitvoeren van een plan en aldus van het medeplegen van het nalaten van het voldoen aan de inlichtingenplicht van de ontvanger van een uitkering.
Conclusie
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] als medepleger zich schuldig heeft gemaakt aan bijstandsfraude door [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft immers telkens haar hoofdverblijf gehad in dezelfde woning als [verdachte] en heeft samen met [verdachte] een gezamenlijke huishouding gevoerd terwijl dat niet is opgegeven aan de uitkeringsinstantie.
Aan [medeverdachte] is ten gevolge van dit gezamenlijk handelen over de periode 1 februari 2009 tot en met 21 juni 2016 door de uitkeringsinstantie ten onrechte uitkering verstrekt tot een bruto bedrag van € 109.717,57. Hiervan hebben [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk Financieel profijt gehad.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.”
3.Het eerste middel
3.1
Het eerste middel richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat haar medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk heeft nagelaten om tijdig de benodigde gegevens zoals bedoeld in art. 227b Sr aan de gemeente te verstrekken. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank dat de verdachte moet hebben geweten of dat het haar in ieder geval redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat haar medeverdachte heeft nagelaten aan de inlichtingenplicht te voldoen, berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de door de rechtbank gebruikte terminologie “redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest” schuld en niet opzet impliceert. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat haar medeverdachte heeft verzaakt om aan de gemeente melding te maken van de samenwoning (en dus opzet daarop had), is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Gesteld wordt dat het hof dat opzet vooral lijkt te baseren op de omstandigheid dat het onaannemelijk is dat de medeverdachte een bijstandsuitkering zou krijgen indien bij de uitkeringsinstantie bekend was dat er een gemeenschappelijke huishouding werd gevoerd, terwijl het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zelf ook een uitkering ontving. Anders dan in het geval dat de verdachte over werk en inkomen zou beschikken, [1] hoeft het bij die stand van zaken dus niet zo te zijn dat de medeverdachte helemaal geen bijstandsuitkering zou kunnen krijgen in geval van samenwonen.
3.2
De tweede klacht komt er in de kern op neer dat de verdachte geen actieve bijdrage heeft geleverd aan het bewezen verklaarde delict en dus niet als medepleger kan worden aangemerkt. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Bespreking van het middel
3.3
De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van het nalaten gegevens te verstrekken zoals bedoeld in art. 227b Sr. Dit artikel luidt als volgt:
“Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.4
Art. 227b Sr stelt strafbaar degene die niet voldoet aan de op hem rustende inlichtingenplicht. In de onderhavige zaak gaat het om de inlichtingenplicht die voortvloeit uit art. 17 WetPro werk en bijstand (verder: WWB; later de Participatiewet). [2] Het eerste lid van art. 17 WWBPro/Participatiewet verplicht de belanghebbende (lees: de aanvrager of ontvanger van de bijstandsuitkering) “uit eigen beweging mededeling [te doen] van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand”. In de onderhavige zaak is de normadressaat van deze bepaling niet de verdachte, maar haar medeverdachte. Zij was – en dit wordt in cassatie niet bestreden – degene die op grond van art. 17 WWBPro/Participatiewet jo. art. 227b Sr verplicht was om de gemeente in te lichten dat zij vanaf 1 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met de verdachte in de woning van de laatstgenoemde.
3.5
De verdachte is als medepleger van dit kwaliteitsdelict veroordeeld. Daarvoor is ten eerste vereist dat de verdachte zowel (voorwaardelijk) opzet had op de aanwezigheid van de kwaliteit van haar medeverdachte (in de onderhavige zaak de omstandigheid dat zij inlichtingenplichtig was) als op de omstandigheid dat zij aan deze plicht niet heeft voldaan. [3] Daarnaast moet er een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Inzake de vraag hoe het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader van medeplegen [4] toepassing vindt bij een omissie- en kwaliteitsdelict als het onderhavige heeft mijn ambtgenoot Bleichrodt gesteld dat “[d]e enkele wetenschap dat de partner met wie de verdachte samenwoont en die een uitkering ontvangt in strijd met de bedoelde inlichtingenplicht niet aan de verantwoordelijke dienst meedeelt dat zij samenwoont” ontoereikend zal zijn voor een veroordeling voor medeplegen. [5] Die stelling onderschrijf ik.
3.6
Dat wordt echter anders als uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een gezamenlijk plan. [6] Dan zal al snel sprake zijn van medeplegen, zelfs als de feitelijke bijdrage van de verdachte slechts is dat hij de situatie heeft laten voortbestaan. Ter illustratie van het medeplegen middels een gezamenlijk plan bij fraudedelicten kan gewezen worden op een arrest uit 2009. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kon worden afgeleid dat zij wist dat haar partner een uitkering ontving, dat het melden van het feit dat hij bij haar in was getrokken, zou betekenen dat zij haar uitkering zou kwijtraken en dat hij zich daarom bewust niet in had geschreven op haar adres en dat hij hiervan meeprofiteerde. Daaruit kon volgens AG Knigge in zijn voorafgaande conclusie [7] worden afgeleid dat sprake was van medeplegen in de vorm van de realisering van een gezamenlijk plan, namelijk om het samenwonen op de inkomstenverklaringen niet te vermelden en ook om dit niet op een andere manier aan de uitkeringsinstantie door te geven, met als doel het gezamenlijke inkomen zo hoog mogelijk te houden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep dat was gericht op het bewezen verklaarde medeplegen met toepassing van art. 81 lid 1 ROPro. [8]
3.7
Gelet op het voorgaande falen beide deelklachten. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat haar medeverdachte een uitkering ontving en dat het voeren van een gezamenlijke huishouding aan de uitkeringsinstantie had moeten worden gemeld. Het hof achtte het ongeloofwaardig dat zij niet wist dat haar medeverdachte haar hoofdverblijf desondanks had laten registreren op een ander adres. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk omdat uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte blijkt dat zij al jarenlang gezamenlijk allerlei activiteiten ondernamen, zoals het doen van boodschappen, het zorgen voor elkaar, het aankopen van scooters en dat zij hebben besproken wat wel en niet mag in het kader van “samenwonen”. Dat het hof zich in het kader van het uiteenzetten van het juridisch kader enigszins ongelukkig heeft uitgelaten door te overwegen dat voor medeplegen is vereist dat de verdachte moet hebben geweten of “in ieder geval redelijkerwijs duidelijk [moet] zijn geweest dat haar mededader heeft nagelaten aan die inlichtingenplicht te voldoen” – hetgeen ten onrechte impliceert dat voor een veroordeling voor medeplegen culpa voldoende is ten aanzien van het schenden van de meldplicht door haar medeverdachte – doet daar niet aan af.
3.8
Wat de steller van het middel verder nog aanvoert ten aanzien van het opzet van de verdachte, kan ik moeilijk plaatsen. Er wordt – als ik het goed zie – betwist dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de omstandigheid dat haar medeverdachte inlichtingenplichtig was en deze plicht niet is nagekomen, omdat de verdachte zelf ook een uitkering had en het dus niet zo is dat bij een gezamenlijk huishouden de uitkering van de medeverdachte zonder meer zou worden stopgezet. Zoals besproken onder het vorige randnummer van deze conclusie blijkt verdachtes opzet voldoende uit de bewijsmiddelen. Dat – zoals ik de steller van het middel begrijp – bij samenwonende partners die beiden uitkeringsgerechtigd zijn – anders dan bij samenwonende partners van wie er één een ander inkomen heeft – niet de hele uitkering wordt stopgezet, maar wordt omgezet naar een gezamenlijke uitkering doet wat mij betreft niet af aan het feit dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het samenwonen van invloed zou zijn geweest op in ieder geval de hoogte van de uitkering van haar medeverdachte en dat de laatstgenoemde dus meldingsplichtig was ten aanzien van deze omstandigheid. De begrijpelijkheid van de overwegingen van het hof omtrent verdachtes opzet wordt hierdoor niet aangetast.
3.9
Verder meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt ten aanzien van de fraude. De verdachte heeft i) vanuit haar en medeverdachtes financieel belang [9] de situatie laten voortduren daar waar zij had moeten en kunnen ingrijpen en ii) besproken met haar medeverdachte wat er mag en niet mag waar het gaat om samenwonen in combinatie met een uitkering. Hieruit kon en mocht het hof afleiden dat sprake is geweest van de uitvoering van een gezamenlijk plan, namelijk het door de medeverdachte ingeschreven blijven op een ander adres om zo beide uitkeringen te behouden en samen voordeel te trekken uit dit hogere gezamenlijke inkomen. Dat de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft begaan – wat bij het medeplegen van een omissiedelict als het onderhavige ook slecht is voor te stellen – is gezien het voorgaande dus niet relevant. Daarbij wijs ik erop dat de verdachte, anders dan de steller van het middel beweert, wel degelijk een ‘actieve’ bijdrage heeft geleverd in de vorm van het ter beschikking stellen van haar woning en het geven van informatie over “’wat wel en niet mag” aan de medeverdachte. Daar doet wat mij betreft niet aan af dat niet precies blijkt wat in deze gesprekken aan de orde is gekomen.
3.1
Het middel faalt.
4.Het tweede middel
4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft bevestigd, nu de verklaring van de verdachte voor zover inhoudende “Ik ken [medeverdachte] al heel lang. Zij woont op het adres [c-straat 1] te [plaats] ", onderdeel van bewijsmiddel 1, tot het bewijs is gebruikt, terwijl bewezen is verklaard dat de medeverdachte niet op dit adres woonde. Het gebruik van deze verklaring tot het bewijs is dus – zo maak ik uit de toelichting op het middel op – strijdig met de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen. Dit leidt volgens de steller van het middel tot nietigheid.
4.2
De bespreking van het middel kan ik kort houden.
4.3
Op zichzelf is het uitgangspunt juist dat (onderdelen van) verklaringen van de verdachte die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring niet onder de bewijsmiddelen dienen te worden opgenomen. Daarmee heeft de steller van het middel een punt. Schending van dit voorschrift leidt echter niet tot cassatie als het niet redengevende (deel van het) bewijsmiddel van zodanig ondergeschikt belang is dat dit een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg staat. [10] Dit laatste is hier het geval nu uit de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen ruimschoots blijkt dat de medeverdachte niet op het adres [c-straat 1] te [plaats] woonde. Ook als de gewraakte zinnen uit de bewijsmiddel 1 worden weggedacht, is de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.
4.4
Het middel faalt.
5.Het derde middel
5.1
Het derde middel bevat de klacht dat door het hof acht is geslagen op de verklaring van de medeverdachte die zij in haar eigen strafzaak heeft afgelegd, terwijl niet is gebleken dat het proces-verbaal van de terechtzitting waarop die verklaring is afgelegd als processtuk is gevoegd in de zaak van de verdachte dan wel dat deze verklaring aan de verdachte is voorgehouden, hetgeen in strijd is met art. 301 lid 4 joPro. 415 lid 1 Sv.
Bespreking van het middel
5.2
Allereerst dient te worden opgemerkt dat uit art. 341 lid 3 SvPro volgt dat een verklaring van een verdachte alleen te zijnen aanziens geldt en dus niet kan worden gebruikt als bewijsmiddel in de strafzaak tegen zijn of haar medeverdachte(n). In een geval als het onderhavige, waar het gaat om een verklaring van de medeverdachte die wordt afgelegd ter terechtzitting van de gelijktijdig behandelde doch niet gevoegde strafzaak geldt deze beperking echter niet. [11] De verklaring van de medeverdachte kan in zo’n geval in het dossier van de verdachte worden gevoegd en in zijn of haar zaak tot het bewijs worden gebezigd. [12] Bij het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de medeverdachte dient rekening te worden gehouden met art. 301 lid 4 SvPro, dat ingevolge art. 415 SvPro in hoger beroep overeenkomstig van toepassing is verklaard en dat zich ertegen verzet dat ten bezware van de verdachte acht wordt geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt met “de stukken” zoals bedoeld in dit artikellid wordt bedoeld “stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel”. [13] Verzuim van dit voorschrift leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting, [14] tenzij de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Dan wordt de substantiële nietigheid gerelativeerd. [15] Bij de vraag of de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad, kan van belang zijn of de cassatieschriftuur een toelichting bevat omtrent dit punt. [16]
5.3
Waar leidt dit nu toe in de onderhavige zaak? Allereerst merk ik op dat het er alle schijn van heeft dat sprake is van een vergissing. De in de bewijsoverwegingen opgenomen passage waaruit volgt dat de medeverdachte ter terechtzitting (in eerste aanleg) heeft “verklaard dat zij de van de gemeente ontvangen formulieren heeft ingevuld en ondertekend en dat zij wist wat de regels waren” komt overeen met het eerste bewijsmiddel in het door het hof bevestigde vonnis in de zaak tegen de medeverdachte. In de onderhavige zaak maakt deze verklaring van de medeverdachte geen deel uit van de bewijsmiddelen. Er is dus ofwel vergeten om deze verklaring bij de bewijsmiddelen op te nemen of deze verklaring is bewust niet voor het bewijs gebuikt maar vervolgens per abuis in de door de steller van het middel aangehaalde bewijsoverweging terecht gekomen.
5.4
Wat hier verder ook van zij, het is juist dat in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet is vermeld dat de verklaring van de medeverdachte in het dossier van de verdachte is gevoegd, zodat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Toch meen ik dat dit in de onderhavige zaak geen consequenties hoeft te hebben en wel vanwege het volgende. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de verdachte “na de voordracht van de advocaat generaal in de gelegenheid [is] gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven” en daarnaast dat de voorzitter mondeling “de korte inhoud van de stukken van de zaak” heeft medegedeeld. De verdediging moet dus op de hoogte zijn geweest van de in het vonnis genoemde verklaring van de medeverdachte. Daarnaast volgt de omstandigheid dat de medeverdachte aan de gemeente geen adreswijziging heeft doorgegeven in de periode waarvan bewezen is verklaard dat zij een gezamenlijk huishouden voerde met de verdachte ook uit bewijsmiddelen 10 en 11. Bovendien is door de verdachte ter terechtzitting (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) niet betwist dat deze onjuist ingevulde formulieren door de medeverdachte zijn ondertekend. Het verweer van de verdediging was juist gebaseerd op de stelling dat de medeverdachte op de in het controleformulier weergegeven adres woonde en dus niet een gezamenlijke huishouding met de verdachte heeft gevoerd op de in de bewezen verklaring genoemde adressen. Gezien het voorgaande meen ik dat de verdachte niet in haar verdedigingsbelang is geschaad. [17] Een geval waarin het ernstige vermoeden bestaat dat de niet voorgehouden verklaring van de medeverdachte niet aan de verdachte bekend was, doet zich hier niet voor. [18]
6.Slotsom
6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [19] Dit dient te leiden tot strafvermindering.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.In dit verband wijst de steller van het middel op de conclusie van AG Hofstee (onder 14) voor HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1711 (HR: art. 81 ROPro).
2.De Wet werk en bijstand is per 1 januari 2015 omgevormd tot de Participatiewet, zie W.F.A. Eiselin, Tekst en toelichting Participatiewet, Den Haag: Sdu 2024, p.19. Art. 17 isPro hierbij ongewijzigd gebleven.
3.J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p.437. Zie ook de conclusie van A-G Harteveld (onder 6.4) voor HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1095 (HR: art. 81 ROPro).
5.Zie de conclusie van Bleichrodt (onder 10) voor HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1129.
6.HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. Vellinga, rov. 2.4. Zie ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 en tot slot W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.
7.Zie zijn conclusie (onder 6) voor HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4966 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 ROPro). Zie voorts in dit verband de conclusie van AG Jörg voor HR 28 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0318 waarin hij schrijft: “Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof - voor zover voor de bespreking van het middel van belang - vastgesteld dat: - verzoeker zich na zijn echtscheiding in 1987 omwille van het behoud van de uitkering die zijn ex-vrouw in [plaats] ontving heeft laten inschrijven bij een collega zodat hij op papier een ander adres had, maar feitelijk in de woning te [plaats] bij zijn ex-vrouw bleef wonen (bewijsmiddel 4); - verzoeker en zijn ex-vrouw in 1990 gezamenlijk zijn verhuisd naar de woning in [plaats] die verzoeker in 1987 had gekocht en dat verzoekers ex-vrouw elke schooldag in vorenbedoelde woning aanwezig was (bewijsmiddelen 4, 5, 6 en 7). […] Voorts heeft het hof in een nadere bewijsoverweging met betrekking tot het mededaderschap van verzoeker overwogen: "Uit de bewijsmiddelen volgt dat [… 1] wist dat [… 2] (ex-echtgenote en medeverdachte van verzoeker; AM) ten onrechte een uitkering ontving, omdat zij samenwoonde met hem, [… 1] , en bovendien (in 1991) niet meer in [plaats] woonde. Gezien deze wetenschap en het samenwonen in gezinsverband van [… 1] en [… 2] , moet [… 1] ten aanzien van de bewezenverklaarde misdrijven als mededader van [… 2] aangemerkt worden. In genoemde omstandigheden ligt immers besloten dat [… 1] instemde met het plegen van die misdrijven en daarvan mede profiteerde." Het hof is gelet op vorenweergegeven overweging klaarblijkelijk van oordeel dat verzoeker zich enerzijds bewust is geweest van het feit dat zijn ex-vrouw ten onrechte een uitkering ontving en anderzijds zich niet heeft gedistantieerd van haar (gedragingen aangaande het in strijd met de wet invullen van de inkomstenformulieren) maar desondanks met haar in gezinsverband bleef samenwonen. Deze houding van verzoeker heeft het hof geredelijk kunnen opvatten als het meedoen aan en het stimuleren van het door verzoekers ex-echtgenote gepleegde feit. In dit licht bezien en in aanmerking genomen dat in Uw rechtspraak het zich niet distantiëren van een bepaald handelen dat een strafbaar feit oplevert, een aanwijzing voor het aannemen van medeplegen kan zijn.”
8.Zie voor andere voorbeelden HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1095, waarbij het ook ging om een verdachte op wie zelf geen meldingsplicht rustte en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1129 (HR; art. 81 ROPro) en in het bijzonder de conclusie van AG Bleichrodt (onder 12) voor dit arrest.
9.Vgl. met betrekking tot het delen in de buit HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/416, m.nt. Rozemond (noot is te vinden onder 2016/420), rov. 4.2.
10.HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:160, rov. 2.3-2.4. Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 340-341. In verband met gebreken in de bewijsvoering wijs ik ook op het overzichtsarrest over toepassing art. 80a RO: HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.5.1-2.5.2, m.nt. Van Kempen.
13.HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607, rov. 3.4, m.nt. Borgers. De Hoge Raad verwijst hier naar HR 26 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1050, NJ 1998/713, toen het nog ging om art. 297 (oud) Sv. Deze bepaling is materieel ongewijzigd opgegaan in art. 301 lid 4 SvPro bij wet van 15 januari 1998 (Stb. 1998, 33, i.w.tr. 1 februari 1998 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 579, iw.tr. 1 januari 2005). Zie verder HR 22 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7668, NJ 1983/104, rov. 5, m.nt. Van Veen en HR 5 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1322, NJ 1999/209, rov. 3.2.
14.Zie HR 26 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8820, NJ 1985/804, rov. 5.2, m.nt. Van Veen en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249, rov. 2.4, m.nt. Mevis. Ten tijde van het eerstgenoemde arrest gold nog art. 297 (oud) Sv. Schending daarvan werd toentertijd bedreigd met formele nietigheid. Deze vergaande sanctie is geschrapt bij wet van 14 september 1995 (Stb. 1995, 441, iw.tr. 2 november 1996). Overigens had de Hoge Raad deze formele nietigheid al enigszins genuanceerd. Zie hiervoor HR 28 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6012, NJ 1978/437 (niet voorhouden van door raadsman ter terechtzitting overgelegd stuk) en HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8233, NJ 1984/443 (niet voorhouden processen-verbaal waarin verbalisanten hadden verklaard dat eerdere processen-verbaal door hen waren opgemaakt onder ambtseed resp. op ambtsbelofte).
15.Zie bijvoorbeeld HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:272 (niet voorhouden aan de verdachte van de (valse) belastingaangiften leidde niet tot cassatie; HR; art. 81 ROPro kennelijk omdat werd verondersteld dat de verdachte bekend was met de inhoud van die door hemzelf ingevulde aangiften) en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7952, NJ 2012/384 (het niet voorgehouden stuk hield niet meer in dan een bevestiging van hetgeen de verdachte had bekend, zodat zijn verdedigingsbelang niet was geschaad; zie hiervoor de conclusie van AG Vellinga onder 10).
17.Vgl. HR 12 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC2506, NJ 1992/659, rov. 6.2 (niet voorhouden van bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige hoeft niet tot cassatie te leiden nu het hof deze getuige opnieuw heeft gehoord en hij volhardt in zijn eerdere verklaring, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de verdachte of zijn raadsman hebben verlangd dat aldaar het proces-verbaal van het voornoemde verhoor bij de rechter-commissaris zou worden voorgelezen of de korte inhoud daarvan zou worden medegedeeld); HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264, rov. 3.4.2, m.nt. Borgers (de niet voorgehouden verklaring van de medeverdachte – afgelegd in de gelijktijdig behandelde, maar niet gevoegde zaak – was door de verdachte bevestigd en dus was de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad); en HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2969, NJ 2015/174, rov. 2.4 (door medeverdachte in eerste aanleg afgelegde verklaring bevond zich niet in het strafdossier van verdachte en was ook in hoger beroep niet aan de orde gesteld; dit leidde echter niet tot cassatie, omdat de in hoger beroep door medeverdachte – in het bijzijn van verdachte en raadsman (die vragen konden stellen en opmerkingen konden maken) – afgelegde verklaring in essentie overeenkwam met de inhoud van de tot het bewijs gebezigde in eerste aanleg afgelegde verklaring).
18.Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358, m.nt. Keijzer, rov. 3.5 (acht slaan op stukken die niet behoorden tot het dossier van verdachte en waarvan voorlezing dan wel mededeling achterwege was gebleven. Hoge Raad casseerde, ook al hadden verdachte en raadsman te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het voorhouden of bespreken van stukken).