ECLI:NL:HR:2018:1700

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
17/04883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Verordening precariobelasting 2013GaswetElektriciteitswet
Verwijzingen
3 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingplicht voor precariobelasting van niet door minister aangewezen netbeheerder

Belanghebbende exploiteerde in 2013 als netbeheerder een gas- en elektriciteitsnetwerk in de gemeente Muiden (thans Gooise Meren). De gemeente had een verordening vastgesteld voor de heffing van precariobelasting op buizen, kabels, draden of leidingen die op gemeentegrond liggen. Artikel 3 van Pro deze verordening maakt onderscheid tussen netbeheerders die door de minister zijn aangewezen en anderen.

Belanghebbende was niet door de minister aangewezen, maar wel door een juridische eigenaar als regionaal netbeheerder. Het hof oordeelde dat belanghebbende op grond van het tweede lid van artikel 3 van Pro de verordening belastingplichtig is. Belanghebbende stelde in cassatie dat alleen de minister-aangewezen netbeheerder belastingplichtig kan zijn, en dat het tweede lid niet van toepassing is.

De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat de tekst van artikel 3 juist Pro impliceert dat niet door de minister aangewezen netbeheerders onder het tweede lid vallen en dus belastingplichtig zijn. Het incidentele beroep van het college van burgemeester en wethouders werd niet behandeld omdat het principale beroep faalde. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat ook niet door de minister aangewezen netbeheerders belastingplichtig zijn voor de precariobelasting.

Uitspraak

21 september 2018
nr. 17/04883
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] N.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 september 2017, nr. 16/00529, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 14/3836) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de precariobelasting van de gemeente Muiden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft tevens schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 28 juni 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:778).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende exploiteerde in 2013 als netbeheerder een gas- en elektriciteitsnetwerk in de gemeente Muiden. In dat kader beheert zij onder meer leidingen die onder, op of boven de gemeentegrond zijn gelegen en dienen voor het transport en de levering van elektriciteit en gas aan de afnemers. Belanghebbende is economisch eigenaar van het netwerk. Juridisch eigenaar daarvan is [A] N.V., van welke vennootschap belanghebbende alle aandelen houdt. [A] N.V. heeft belanghebbende aangewezen als regionaal netbeheerder.
2.1.2.
De gemeente Muiden heeft op 17 oktober 2013 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2013 aangenomen (hierna: de Verordening). Artikel 3 van Pro de Verordening bepaalt:
Artikel 3 Belastingplicht Pro
1. Ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen, wordt de precariobelasting geheven van de door de minister aangewezen netbeheerder.
2. In alle andere gevallen wordt de precariobelasting geheven van degene die de buizen, kabels, draden of leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.”
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van Pro de Verordening belastingplichtig is voor de precariobelasting.
2.3.1.
Tegen het in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het middel. Volgens het middel brengt een grammaticale uitleg van artikel 3 van Pro de Verordening mee dat belanghebbende niet als belastingplichtige voor de precariobelasting kan worden aangemerkt. Op belanghebbende is slechts het eerste lid van artikel 3 van Pro toepassing omdat zij, zij het niet door de Minister, op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet is aangewezen als regionale netbeheerder. Aan toepassing van het tweede lid van artikel 3 wordt Pro dan niet meer toegekomen, omdat geen sprake is van een “ander geval” dan een geval als bedoeld in lid 1. Dat geldt ook indien de gemeentelijke wetgever heeft bedoeld dat het tweede lid van artikel 3 in Pro een geval als dat van belanghebbende wel van toepassing is, omdat er dan een discrepantie is tussen die bedoeling en de tekst van de Verordening, waarbij de tekst voorgaat, aldus het middel.
2.3.2.
Het middel faalt. Aan het middel kan worden toegegeven dat de bewoordingen van het eerste lid van artikel 3 van Pro de Verordening alle gevallen lijken te omvatten waarin op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen. In het slot van dat eerste lid is echter alleen de door de Minister aangewezen netbeheerder als belastingplichtige aangemerkt. Daarom moet worden aangenomen dat het niet de bedoeling van de gemeentelijke wetgever is geweest elke (andere) op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet aangewezen netbeheerder onder de werking van het eerste lid te brengen. Dat betekent dat alle gevallen waarin een netbeheerder niet door de Minister is aangewezen, behoren tot de “andere gevallen” bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Anders dan het middel betoogt, verzet de tekst van artikel 3 van Pro de Verordening zich niet tegen een dergelijke lezing. Tussen partijen is dan niet in geschil dat belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt. Het principale beroep in cassatie moet daarom ongegrond worden verklaard.

3.Het voorwaardelijke incidentele beroep

Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Dat beroep behoeft derhalve geen behandeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.