Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.3. Geschil in hoger beroep
2. het in onderdeel 3 van de uitspraak van de rechtbank vermelde besluit (hiena ook: het
Raadsbesluit) aan de
heffing van precariobelasting van belanghebbende in de weg staat, en
3. de aanslag in strijd is met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
4.4. Beoordeling van het geschil
)onder meer het volgende overwogen en beslist:
instandhouding van kabels en leidingen. In dit geval zijn de gemaakte afspraken neergelegd in het Raadsbesluit. Het betreffen afspraken over de aanwending van publiekrechtelijke bevoegdheden en die houden geen privaatrechtelijke gedoogplicht in. Er bestaat geen aanleiding om het Raadsbesluit op dit punt anders te begrijpen dan zoals de Hoge Raad in overweging 2.5.4 van het Naarden-arrest heeft gedaan ten aanzien van de daar aan de orde zijnde overeenkomst. De omstandigheid dat afspraken worden gemaakt over de aanwending van publiekrechtelijke bevoegdheden impliceert dat de gemeente (althans haar organen) in beginsel tegen het aanleggen en in stand houden van de kabels en leidingen kan optreden en andersom dat kan veroorloven. Van zo'n veroorloven of toestaan zou geen sprake zijn geweest indien de gemeente rechtens (uit hoofde van de wet, een rechtshandeling of anderszins) de bevoegdheid mist om als eigenaar van de grond tegen die aanwezigheid op te treden (Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3437). In zoverre kunnen de beroepen evenmin slagen.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uit de inhoud van het Raadsbesluit noch de omstandigheid dat er 90 jaar geen precariobelasting is geheven, valt af te leiden dat verweerder bedoeld heeft voor het onderhavige jaar een toezegging te doen of een goedkeuring te geven op grond waarvan hij in het onderhavige jaar van het heffen van precariobelasting zou moeten afzien. Bovendien heeft verweerder al ruim vóór de onderhavige aanslag over het jaar 2015 voor het jaar 2013 aan eiseres een aanslag precariobelasting met betrekking tot de elektriciteitsnetwerken opgelegd. Zo eiseres al aan het Raadsbesluit en de onderhavige gang van zaken vertrouwen zou kunnen ontlenen, dan is dit vertrouwen met het opleggen van de aanslag 2013 opgezegd.
Standpunt heffingsambtenaar4.3. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende belastingplichtig is, zo al niet op grond van artikel 3, eerste lid, dan toch op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 2013, en verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van het Hof van 12 juni 2018, nr. 17/00265, ECLI:GHAMS:2018:2023 (Voorst), en de conclusie van
A-G IJzerman van 28 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:778, naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof van 5 september 2017, nr. 16/00529, ECLI:GHAMS: 2017:3644 (Gooise Meren, voorheen Muiden).
In dit verband gaat het Hof ervan uit dat een contractueel gedoogrecht als bedoeld in r.o. 2.5.4 van het arrest Naarden slechts werkt tussen degenen die partij zijn bij de overeenkomst waarmee dat gedoogrecht is overeengekomen. Dat zou dan slechts het geval kunnen zijn tussen de gemeente en [A dochter N.V.] (als rechtsopvolger van [B] ). Deze exclusieve werking volgt uit de omstandigheid dat een overeenkomst tussen twee partijen in het algemeen uitsluitend voor die partijen rechten en verplichtingen schept. De formulering van de laatste volzin van r.o. 2.5.4 van het arrest Naarden lijkt daar ook op te wijzen.
Het Raadsbesluit heeft derhalve uitsluitend gelding in de rechtsverhouding tussen de gemeente en [A dochter N.V.] . Het bevat ook geen beding op grond waarvan dat besluit derdenwerking zou hebben. Een en ander nog daargelaten dat het besluit niet als een overeenkomst is aan te merken, wat er mag zijn van de brief van de gemeente aan (onder meer) belanghebbende van 26 mei 2016. Zo al een bevel aan belanghebbende tot verwijdering van netwerken als een inbreuk op het Raadsbesluit jegens [A dochter N.V.] zou kunnen worden opgevat, dan geldt dat naar het oordeel van het Hof niet voor het heffen van precariobelasting van belanghebbende. In haar uitspraak van 5 oktober 2017 heeft de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat het beroep van belanghebbende op een (contractuele) gedoogplicht niet slaagt, ongeacht het antwoord op de vraag of het Raadsbesluit een contractuele gedoogplicht tegenover [A dochter N.V.] oplevert.