Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
bis
1.Nadere conclusie
verwervingzou gaan (hoewel het om een
stortinggaat) en (iii) het verschil in behandeling moet worden beoordeeld vanuit het doel van de fiscale eenheid omdat “het verschil in behandeling niet alleen uit artikel 10a, lid 2, onder b), van de Wet op de vennootschapsbelasting voortvloeit, maar uit de gecombineerde toepassing van dat artikel en artikel 15 van Pro die wet, betreffende de fiscale eenheid”, welke fiscale eenheid “een ander doel heeft.” Het Hof oordeelde dat op die basis het verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd vanuit de doelstelling misbruik te bestrijden (en ook overigens niet). ’s Hofs antwoord luidde:
verworvenin plaats van informeel kapitaal te hebben
gestortin een bestaande deelneming. Bij een
verwervingvan een vennootschap kan het risico van grondslaguitholling inderdaad als gelijk beschouwd worden in grensoverschrijdende en interne gevallen: in beide gevallen worden vrijgestelde winsten gekocht, gefinancierd met een lening van een niet-ingezeten groepsvennootschap bij wie onvoldoende heffing tegenover de aldus in Nederland gecreëerde renteaftrek kan staan. Maar die gevallen worden ook gelijk behandeld, zodat daar geen EU-rechtelijk probleem bestaat. Bij een
stortingdaarentegen is het risico van grondslaguitholling bepaald groter in een grensoverschrijdend geval dan in een binnenlands geval omdat bij storting in een dochter in dezelfde fiscale jurisdictie de aftrekbare financieringsrente en de belaste rentabiliteit (op die storting) in beginsel in dezelfde lidstaat ontstaan (fiscale coherentie), terwijl bij een grensoverschrijdende storting alleen de aftrekbare rentelast in Nederland valt en de al dan niet belaste rentabiliteit in een andere jurisdictie.
Groupe Stériaarrest voor de Nederlandse fiscale eenheid, voor welke vraag deze zaak echter weinig geschikt lijkt. Onjuist lijkt mij uw uitgangspunt dat de storting onzichtbaar zou zijn geweest als [G] in Nederland gevestigd was geweest, gegeven dat de belanghebbende op het moment van storting juridisch ofwel helemaal géén aandelen ofwel slechts € 110.000 nominaal in [G] bezat, zodat zij niet de vereiste 95% juridische en economische eigendom bezat. De Italiaanse advocaat van het concern bezat op dat moment juridisch immers nog steeds € 10.000 nominaal. Maar ook als dat anders zou zijn, zou in casu mijns inziens het werkelijke EU-rechtelijke probleem niet zijn de vraag of de fiscale eenheid EU-rechtelijk ‘per element’ of als
package dealbeoordeeld moet worden, maar of – gegeven dat voeging art. 10a binnenslands uitschakelt - het in overeenstemming is met het fiscale territorialiteitsbeginsel c.q. met een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid om het misbruik dat art. 10a Wet Vpb bestrijdt alleen in grensoverschrijdende gevallen aan te pakken en zo ja, of dat op proportionele wijze geschiedt. Daarbij rijst met name de vraag of de aanwezigheid van een in lid 2 van art. 10a Wet Vpb (tekst 2004) omschreven besmette transactie een
prima facie(‘begin van’) bewijs van grondslaguitholling oplevert om van de belanghebbende het bewijs te verlangen dat er voldoende zakelijke overwegingen zijn voor lening en storting.
anathema to the internal marketnoemde. [1] Dat onwenselijke
anathemawordt (werd, tot dit arrest van het HvJ EU) in Nederland deels vermeden door de mogelijkheid van een fiscale eenheid, die binnenslands onderlinge transacties en leningen doet verdwijnen dus ook besmette leningen en transacties (en deels doordat binnenslands veelal aan de compenserende-heffingstoets voldaan zal zijn). De horizontale toepassing van art. 10a Wet Vpb, bedoeld om EU-rechtelijke risico’s uit te sluiten, blijkt thans juist een tamelijk bizar EU-rechtelijk risico te creëren: uit het enkele gegeven dat de wetgever art. 10a Wet Vpb horizontaal van toepassing heeft verklaard, leidt het HvJEU ten onrechte af dat het risico van grondslaguitholling in grensoverschrijdende en interne stortingsgevallen gelijk zou zijn en meent hij daarom ten onrechte dat “de vergelijkbaarheid van de situaties uitsluitend aan de hand van het doel van artikel 15 van Pro die wet (moet) worden beoordeeld.” Wat wél beoordeeld had moeten worden, zijn doel en effect van art. 10a Wet Vpb bij toepassing alleen op grensoverschrijdende stortingen, want dat is het effect van voeging in een binnenlandgeval: uitschakeling van art. 10a Wet Vpb. De vraag is dus of de wetgever EU-rechtelijk ook van meet af aan de werking van art. 10a(2)(b) Wet Vpb voor wat betreft stortingen had kunnen beperken tot grensoverschrijdende gevallen.
SGI, [2] SIAT, [3] Itelcar, [4] en de zeer recente zaak
Hornbach-
Baumarkt [5] (zie de
bijlagenonder deze conclusie) expliciet aanvaard dat lidstaten antigrondslaguithollingsmaatregelen alleen op grensoverschrijdende gevallen toepassen omdat de uitholling zich daar nu eenmaal voordoet, en niet zozeer binnenslands. Wel moet de maatregel uiteraard proportioneel zijn. [6]
iskennelijk helemaal geen misbruik, maar alleen een discriminatie. Deze redenering is echter, zoals bleek, gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat binnenlandse en buitenlandse storting vanuit misbruikrisico-oogpunt identiek zouden zijn.
definite influence).
earnings strippingwetgeving). Dit te bestrijden verschijnsel doet zich voor bij storting van laagbelast gelieerd geleend geld in een niet in Nederland winst genererend lichaam waarvan bovendien op grond van dwingend EU-recht (de EU-Moeder-dochterrichtlijn) de winstuitkeringen in Nederland zijn vrijgesteld. In een vergelijkbaar binnenlands stortingsgeval is de winst van het gekapitaliseerde binnenlandse lichaam in beginsel in Nederland belast (tenzij ook die winst weer is vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling). De advocaat-generaal Bobek bij het HvJEU betoogde in de zaak C-382/16,
Hornbach-Baumarkt [11] mijns inziens terecht dat maatregelen tot voorkoming van winstverschuiving naar het buitenland, die
dusintern niet worden toegepast, in beginsel
zelfsgeen ongelijke behandeling opleveren – zodat geen rechtvaardigingen hoeven te worden aangevoerd - omdat geen sprake is van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen: intraconcern winstverschuiving
binneneenzelfde fiscale jurisdictie is niet relevant omdat de aftrek bij de ene binnenlandse concernvennootschap belast is bij de andere binnenlandse concernvennootschap. Het Hof bleek er bij zijn uitspraak [12] vorige week donderdag in deze zaak
Hornbachnog niet aan toe om deze benadering reeds op het niveau van (on)vergelijkbaarheid te omarmen, maar erkende wel – net als in
SGI,
Itelcaren
SIAT(zie bijlage 6) – bij de daarop volgende beoordeling op rechtvaardigingsniveau dat het territorialiteitsbeginsel en een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid kunnen rechtvaardigen dat antiwinstverschuivingsmaatregelen alleen worden toegepast op grensoverschrijdende en niet op puur binnenlandse gevallen, alsmede dat een dergelijk onderscheid evenredig kan zijn aan het doel grondslaguitholling te voorkomen als de ingezeten belastingplichtige de mogelijkheid heeft om aan te tonen dat de transactievoorwaarden, hoewel afwijkend van zakelijke voorwaarden, zijn overeengekomen om commerciële redenen die kunnen voortvloeien uit de aandeelhoudersband met de niet-ingezeten vennootschap, hetgeen door de nationale rechter moet worden beoordeeld.
opzetop territoriale
mismatchesc.q. op verstoring van evenwichtige heffingsverdeling) waar de eerste ingeroepen kan worden los van enig oogmerk van de belastingplichtige. Het HvJ EU overwoog in onder meer
SGI(zie bijlage 6) dat de rechtvaardigingsgrond gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel c.q. een evenwichtige heffingsverdeling:
misbruikmaatregel gerechtvaardigd te zijn, wordt de nationale beperkende maatregel strenger beoordeeld: alsdan moeten in beginsel alleen ‘volstrekt kunstmatige constructies’ getroffen worden (dus mag de maatregel in beginsel geen
overkillbevatten die ook significant niet-misbruikers treft), zij het dat in welomschreven, objectief verdachte gevallen misbruik vermoed mag worden en van de belastingplichtige bewijs van zakelijkheid verlangd mag worden, aldus het HvJ EU in onder meer
Cadbury Schweppes. [13]
prima faciemisbruik (kunstmatige ombouw van eigen in vreemd vermogen) kunnen doen vermoeden (in de woorden van het HvJ EU (zie bijlage 6 bij deze conclusie): minstens ‘een begin van bewijs’ van misbruik opleveren), net zoals in de zaken
Thin cap, [14] SGIen
Hornbachde afwijking van
arm’s lengthvoorwaarden grondslaguitholling konden doen vermoeden.
nietwordt toegepast in de binnenlandsituatie (omdat het uitgeschakeld kan worden door het aangaan van een fiscale eenheid). Is toepassing van art. 10a(2)(b) (als antimisbruikmaatregel) op stortingen onder die omstandigheden nog steeds gerechtvaardigd en evenredig?
mismatchvoordoen, wat de rente-aftrek betreft bijvoorbeeld bij betaling aan een verliesvennootschap of aan een niet-belastingplichtig lichaam. Dat was echter in de Belgische zaken
SGIen
SIAT(zie bijlage 6) denkelijk niet anders, zodat ik daar overheen stap. In de recente zaken
Eqiom [16] en
Deisteren
Juhler [17] (zie bijlage 6) toont het HvJ EU zich echter daarenboven erg streng bij de beoordeling van wettelijke categorische vooronderstellingen van misbruik, en een gelieerd gefinancierde storting in een buitenlandse dochter
hoeftgeen misbruik te zijn.
Eqiomen
Deiter en Juhlergaan echter niet over beperking van de verkeersvrijheden, maar over antimisbruikuitzonderingen op de overigens volledige harmonisatie in de EU-moeder-dochterrichtlijn, en bij in beginsel volledige harmonisatie is het HvJ EU uiteraard streng op de uitzonderingen. In geval van beperking van de verkeersvrijheden, zoals in casu, gaat het om de omgekeerde situatie: geen positieve, maar negatieve integratie: geen enkele harmonisatie (in 2004 was ook art. 4 van Pro de EU-ATAD nog niet van kracht) waardoor de
default modede fiscale soevereiniteit van de lidstaten is en een balans gevonden moet worden tussen de belangen van vrij verkeer en die van nationale fiscale grondslagbescherming. Ik meen dat op die basis uitsluitend grensoverschrijdende toepassing van art. 10a Wet Vpb niet onevenredig hoeft te zijn, gegeven de tegenbewijsmogelijkheden en de vrije bewijsleer, alsmede het gegeven dat de interne markt niet gebaat is bij onzakelijke winstverschuivingen. Ik acht dat echter geen
acte clair, zodat – indien deze beoordingsweg zou worden ingeslagen – de zaak terug zou moeten naar Luxemburg.
i.e.als noodzakelijk om het recht van Nederland veilig te stellen “om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden”, aldus ‘s Hofs eerder geciteerde arrest
SGI, geheel onafhankelijk van de vraag of de belastingplichtige een misbruiker is.
Hornbach(waarin de belastingplichtige expliciet géén misbruik werd verweten), volgt dat een dergelijke objectieve bepaling geacht kan worden niet verder te gaan dan nodig voor het doel van veiligstelling van evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid, mits (i) in alle gevallen waarin op die objectieve basis een vermoeden postvat dat Nederlandse winst verdwijnt, de belastingplichtige zonder buitensporige administratieve moeite bewijs kan aandragen van eventuele zakelijke redenen voor de gelieerde gefinancierde besmette storting en (ii) art. 10a niet verder gaat dan het terug naar Nederland verplaatsen van die Nederlandse winst. Ik meen dat art. 10a Wet Vpb aan die voorwaarden voldoet, gezien (a) de tweeledige tegenbewijsmogelijkheid van lid 3 en (b) de in het Nederlandse belastingprocesrecht vigerende vrije bewijsleer.
SGIen
Hornbach, voldoende duidelijk af te leiden hoe het EU-recht in casu toegepast moet worden bij een correct begrip van de feiten en het Nederlandse belastingrecht: er is in casu in beginsel geen EU-rechtelijk probleem, en de zaak moet dus terug naar de feitenrechter om de belastingplichtige in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat (i) zakelijke redenen voor de lening en de storting bestonden (waarbij de vraag kan rijzen of Italiaanse antifiscale motieven al dan niet zakelijk zijn), of dat (ii) de feitelijke concernfinancier naar Nederlandse maatstaven voldoende belast werd voor de rente die de belanghebbende wenst af te trekken. Ik merk ad (i) op dat het mij uit een oogpunt van Unietrouw en het Unierecht overheersende discriminatieverbod onaannemelijk lijkt dat een lidstaat buitenlandse (Italiaanse) antifiscale motieven als zakelijk zou kunnen beschouwen die hij niet als zakelijk zou aanvaarden als het om zijn eigen fiscale belang zou gaan.
2.De feiten, het geding in feitelijke instanties en het cassatieberoep
floatingaandelen in de beursvennootschap. Een deel van de
public floatis voorts rechtstreeks door de belanghebbende gekocht. De keuze om de belanghebbende houdster van de biedingsvennootschap te maken, en niet een andere houdster binnen het concern, is louter ingegeven door fiscale motieven.
Treasurywerd in Zweden in 2004 fiscaal behandeld als resultaat van de Zweedse topholding. In 2004 beschikten
Treasurynoch topholding over eigen compensabele verliezen, maar via het Zweedse systeem van ‘concernbijdragen’ (winstoverdracht; de inverse van de Britse verliesoverdracht) kon de topholding haar fiscale winst overdragen aan Zweedse groepsvennootschappen, die die winsten konden verrekenen met hun aanzienlijke verliezen en bronheffingen. Het tarief van de vennootschapsbelasting waaraan de topholding in Zweden was onderworpen bedroeg 28%. In 2004 heeft de Zweedse topholding geen vennootschapsbelasting betaald.
Treasuryde civielrechtelijke crediteur, maar de Zweedse topholding de economische crediteur. Het Hof achtte niet aannemelijk dat de Zweedse topholding verplicht was de ontvangen rente door te stoten naar achterliggende lichamen. Dat de uitlening aan de belanghebbende door de Zweedse topholding is gefinancierd met een inlening doet daaraan niet af. Aan de compenserende-heffingstoets is volgens het Hof niet voldaan omdat de Zweedse topholding met het mechanisme van
group contributionsde belastingposities van het Zweedse deel van het concern, inclusief die van haarzelf, optimaliseerde door winstoverdracht aan andere groepsmaatschappijen die haar winst konden afzetten tegen (nog te verrekenen) verliezen, of (nog te verrekenen gestalde) buitenlandse bronbelasting.
Het Hof heeft deze wetsgeschiedenis aldus verstaan dat de toets of sprake is van een compenserende heffing in beginsel moet plaatsvinden bij de vennootschap die de rente rechtstreeks ontvangt. Dit zou, aldus het Hof, alleen dan anders zijn als deze vennootschap "een (afdwingbare) verplichting heeft om de inkomsten direct door te stoten naar de achterliggende aandeelhouder" (bedoeld zal zijn: crediteur). Dit houdt volgens het Hof in dat die vennootschap/crediteur fungeert als "doorgeefluik" van de ontvangen rente. In de opvatting van het Hof zou slechts in een dergelijk geval de toets moeten plaatsvinden bij die achterliggende crediteur.
in casuvoor de wijze van acquisitie, zakelijk kunnen zijn in de zin van art. 10a Wet Vpb:
Groupe Stériaarrest voor de Nederlandse fiscale eenheid. U ging u er wellicht ook van uit dat als het niet kunnen voegen van [G] (en daarmee het niet kunnen uitschakelen van art. 10a Wet Vpb) onverenigbaar zou zijn met de EU-vestigingsvrijheid, er geen feitelijk onderzoek naar (on)zakelijkheid en naar de feitelijke crediteur meer nodig zou zijn.
Cadbury Schweppes [25] en
Thin Cap Group Litigation [26] gestelde voorwaarden voor een EU-rechtelijk aanvaardbare beperking van de vrijheid van vestiging, met name omdat het tegenbewijs dat in art. 10a(3) Wet Vpb verlangd wordt “niet zodanig bezwarend [is; PJW] dat deze mogelijkheid geen daadwerkelijke betekenis heeft”:
BNB 2013/137wordt met artikel 10a, lid 2, (…) beoogd tegen te gaan dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door middel van rente die is verschuldigd op een geldlening die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan. Als zodanige rente merkt artikel 10a, lid 2, van de Wet – behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs als voorzien in artikel 10a, lid 3, van de Wet – onder meer aan rente ter zake van een geldlening die rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd aan een verbonden lichaam, voor zover die geldlening verband houdt met een kapitaalstorting in een verbonden lichaam. Bezien vanuit een groep van verbonden lichamen wordt dan in wezen eigen vermogen van de groep bij een Nederlands lichaam uit die groep als vreemd vermogen gepresenteerd (vgl.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 17). Aldus strekt artikel 10a, lid 2, van de Wet ertoe gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.
BNB 2007/54, punt 55, en 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, ECLI:EU:C:2007:161,
V-N2007/15.9, punt 82, gestelde grenzen voor een wettelijke bepaling die de vrijheid van vestiging beperkt. Voorts volgt uit deze arresten niet dat in een geval als het onderhavige de beperking van de renteaftrek slechts ertoe mag leiden dat de door de debiteur verschuldigde belasting wordt verhoogd met het bedrag aan belasting dat de crediteur extra verschuldigd zou zijn wanneer bij hem de rente belast zou zijn naar een tarief dat naar Nederlandse maatstaven als redelijk moet worden aangemerkt. Het Europese evenredigheidsbeginsel verzet zich niet ertegen dat de bestrijding van ontduiking van Nederlandse belasting zich richt op het wegnemen van het volledige effect van de belastingontduiking voor de Nederlandse belastingheffing. Hierin schuilt geen onevenredigheid (vgl. HR 23 januari 2004, nr. 38258, ECLI:NL:HR:2004:AI0739,
BNB 2004/142).”
Groupe Stéria SCA [30] en
Finanzamt Linz [31] u aan het twijfelen hebben gebracht. U benadrukte dat belanghebbendes geval verschilt van die laatste twee zaken omdat “in het onderhavige geval (…) het verschil in behandeling evenwel rechtstreeks voort[vloeit] uit de consolidatie binnen een fiscale eenheid.” U vroeg u af of het litigieuze verschil met een binnenlandse situatie (waarin wél voeging en daarmee uitschakeling van art. 10a Wet Vpb mogelijk is) kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak de samenhang van het fiscale-eenheidsregime te verzekeren, bij verlies waarvan duidelijk gevaar van
cherry pickingdreigt:
cherry pickingen (potentieel) gunstiger behandeling van grensoverschrijdende gevallen niet relevant, want als de belemmering die art. 10a Wet Vpb opwerpt, op zichzelf beschouwd gerechtvaardigd en proportioneel is, valt niet in te zien waarom dat anders zou zijn als dezelfde belemmering een gevolg is van het niet beschikbaar zijn van een fiscale eenheid:
FED2016/115) vraagt zich met name af (i) of de Italiaanse dochter, gegeven de op het moment van kapitaalstorting geldende bezitsverhoudingen, in een zuiver nationale situatie wel opgenomen had kunnen worden in een fiscale eenheid en (ii) of door voeging van die dochter een vaste inrichting van de fiscale eenheid in Italië ontstaat, in welk geval de aftrekbaarheid van de rentekosten van de aan die v.i. toerekenbare (niet-10a-)schuld alsnog weglekt in de voorkomingswinst van de v.i.:
De conclusie van de A-G bij HvJ EU Campos Sánchez-Bordona en het antwoord van het HvJ EU
X Holding [35] en
SCA Groupe Stéria [36] meent hij dat objectief vergelijkbare gevallen verschillend worden behandeld en dat dit verschil niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak de samenhang van de Nederlandse fiscale integratieregeling te bewaren. Het argument van de Nederlandse regering dat de fiscale integratieregeling een coherent totaalpakket van voor- en nadelen is, acht hij veel te algemeen in het licht van de uit ’s Hofs rechtspraak [37] voortvloeiende eis dat een rechtstreeks verband moet bestaan tussen het betrokken belastingvoordeel en de opheffing van dit voordeel door een bepaalde belastingheffing. De A-G ziet evenmin in dat aftrekweigering nodig zou zijn voor de handhaving van een evenwichtige heffingsbevoegdheid. Tot slot gaat hij in op bestrijding van belastingontwijking als dwingende reden van algemeen belang die aftrekweigering zou kunnen rechtvaardigen. Hij onderschrijft dat art. 10 Wet Pro Vpb op zichzelf inderdaad wordt gerechtvaardigd door het doel belastingontwijking tegen te gaan:
NTFR2017/2736) betwijfelt of de A-G de Nederlandse regeling wel scherp op het netvlies heeft. Onvoldoende belicht is volgens hem dat (i) art. 10a Wet Vpb gewoon van toepassing zou zijn als de kapitaalstorting door een binnenlandse gevoegde dochter zou worden gebruikt voor een rechtshandeling die onder art. 10a zou vallen en (ii) de tegenbewijsregeling van art. 10a Wet Vpb wel degelijk de mogelijkheid biedt om aan te tonen dat aan de transactie tussen een moedermaatschappij en een niet-ingezeten dochter een economische realiteit ten grondslag ligt;
NJB [39] heb ik uiteengezet dat winstverschuiving zich bij uitstek voordoet in grensoverschrijdende gevallen, maar dat de wetgever om EU-rechtelijke verwijten te voorkomen er voor heeft gekozen de aftrekbeperking niettemin ook binnenslands toe te passen (welke toepassing door de fiscale eenheid uitgeschakeld kan worden en buiten een fiscale eenheid doorgaans voorkomen wordt door voldoening aan de compenserende heffingstoets uit art. 10a(3)(b)). Ook in een buitenlandgeval is dat tegenbewijs mogelijk, evenals bewijs dat de lening en rechtshandeling zakelijk zijn (art. 10a(3)(a) Wet Vpb). Ik merkte op dat een en ander niet helemaal overgekomen was in Luxemburg:
verwervingvan aandelen’) en consolidatie ex art. 15 Wet Pro Vpb het effect heeft dat “de vennootschap dus de mogelijkheid [heeft] om de rente ter zake van haar lening in aftrek te brengen op haar fiscale winst, zonder dat aan de voorwaarden in lid 3 van datzelfde artikel hoeft te worden voldaan”. Nu dat in het buitenlandgeval wél moet, ziet het HvJ EU, anders dan zijn A-G Bobek denkelijk zou doen (zie diens conclusie in de zaak
Hornbachhieronder in bijlage 6), een discriminatie van de buitenlandsituatie:
stortingop aandelen in [G] Srl, verwart met een
verwervingvan aandelen. Het HvJ EU overweegt vervolgens dat hij de binnen- en buitenlandgevallen uitsluitend op basis van het doel van art. 15 zal Pro vergelijken:
X Holding [42] af dat de grensoverschrijdende en de binnenlandse situatie uit het oogpunt van de gecombineerde toepassing van de Nederlandse bepalingen vergelijkbaar zijn en dat er dus een verschil in behandeling is. Dan komen eventuele rechtvaardigingen aan de orde, als eerste ‘de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden’. Het HvJ EU legt uit dat hij tot een andere beoordeling komt dan in
X Holdingomdat renteaftrek geenszins een wezenskenmerk van een fiscale consolidatie is:
in casuechter de renteaftrekbeperking onvoldoende specifiek gericht:
stortingzich qua risico van grondslaguitholling duidelijk wél van elkaar onderscheiden; het Hof heeft het ten onrechte weer over een
verwervingvan aandelen, niet onderkennend dat het om een emissie met een ‘premium’ (informeel kapitaal of agio) ging. Het antwoord van het HvJ EU op uw prejudiciële vraag luidt:
V-N2018/11.14) was kritisch:
BNB(2018/92) is zeer kritisch over het prejudiciële antwoord van het HvJ EU en de conclusie van de A-G HvJEU. Hij inventariseert wat er allemaal fout lijkt te zijn gegaan bij het HvJ EU, met name ook qua begrip van de ‘bovenkant’ van de structuur (tussen Nederland en Zweden), en kwalificeert sommige bevindingen van de A-G tot zijn spijt als ‘fiscale onzin’. Hij vervolgt dat de:
5.De reacties van de partijen op het antwoord van het HvJ EU
Het territorialiteitsbeginsel en misbruikbestrijding in de rechtspraak van het HvJ EU
SGI [44] betrof het Belgische
transfer pricing-regime. SGI was een Belgische vennootschap met (65%) aandelen in een Franse vennootschap. SGI zelf was voor 34% in handen van een Luxemburgse vennootschap. SGI had een renteloze lening verstrekt aan haar Franse dochter en bestuurdersvergoedingen betaald aan haar Luxemburgse moeder. De Belgische belastingdienst weigerde aftrek van de bestuurdersvergoedingen als ‘kennelijk onredelijk en (…) totaal niet in verhouding met het economische nut van de betrokken prestaties’ - en telde een bedrag wegens door SGI ‘aan haar dochteronderneming toegekende abnormale of goedgunstige voordelen’ ter grootte van een zakelijk bepaalde rente. Dergelijke arm’s length correcties werden alleen toegepast in grensoverschrijdende (gelieerde) gevallen; niet in binnenlandse gelieerde gevallen. De Belgische en Duitse regering hadden gesteld dat de correcties geen extra heffing inhielden, maar slechts een heffing over de in de betreffende jurisdictie opgekomen winst, die eenmaal binnen een groep van vennootschappen moet worden belast. Het HvJ EU dacht daar – zoals boven bleek volgens A-G Bobek in
Hornbachten onrechte - anders over:
SGIresteerde de vraag naar proportionaliteit van de aftrekweigering c.q. rentebijtelling. De Belgische regeling hield een bewijsvermoeden met tegenbewijsmogelijkheid in. De vraag was of die regeling
overkillbevatte. Onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter achtte het HvJ EU een dergelijk vermoeden met tegenbewijsmogelijkheid niet in strijd is met de vrijheid van vestiging:
Hornbachheeft A-G bij het HvJ EU Bobek [46] een dezerzijds langverhoopte knuppel in het dogmatische hoenderhok van het HvJ EU gegooid door in grondslaguithollings-correctiegevallen te stellen dat van discriminatie geen sprake is en door het nulsom-argument te verdedigen. De zaak ging over
arm’s-length-regels die Duitsland alleen toepast in grensoverschrijdende gelieerde verhoudingen en niet in overigens vergelijkbare binnenlandse verhoudingen. Hornbach Duitsland had zich zonder tegenprestatie garant gesteld voor bankschulden van Nederlandse dochtervennootschappen, aangegaan ter aanzuivering van negatief eigen vermogen. Hornbach werd niet verweten zich te hebben bezondigd aan belastingontwijking of misbruik. De A-G gaat in het algemeen in op het territorialiteitsbeginsel:
SGI: zijns inziens is geen sprake van objectief gelijke gevallen en komt (dus) ’s Hofs rechtvaardigingsredenering in zaken zoals SGI in wezen neer op een objectieve vergelijkbaarheidsanalyse: het door het Hof geconstateerde verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd doordat de binnenland- en buitenlandgevallen niet gelijk zijn (met name: wel c.q. niet onderworpen), zodat de rechtvaardiging van de evenwichtige verdeling c.q. het territorialiteitsbeginsel in wezen neerkomt op de constatering dat geen sprake is van discriminatie. Voor
Horbachbetekent dat volgens Bobek het volgende:
Eqiom en Enka [48] betrof niet de verkeersvrijheden, maar het misbruikvoorbehoud in de EU-Moeder-dochterrichtlijn. In geschil was Franse wetgeving aan de orde die in afwijking van de EU-moeder-dochterrichtlijn bronheffing voorschreef over dividenden die ten goede kwamen aan niet-ingezeten moedervennootschappen, tenzij die aannemelijk maakten dat (i) de dividenden in het ontvangstland onderworpen waren aan een normaal tarief, (ii) zij de daadwerkelijk begunstigden waren en (iii) zij aan een aantal rechtsvorm- en activiteiteisen voldeden. De Franse regering beriep zich op een fraude- en misbruikbestrijdingsdoel, met name voorkoming van richtlijn- en
treaty shoppingdoor derdelanders om te ontsnappen aan de Franse bronbelasting. Het HvJ EU zag daar niets in:
Deister en Juhler, [49] eveneens over het misbruikvoorbehoud in de EU-moeder-dochterrichtlijn, is het HvJ EU ingegaan op het gebruik van wettelijke misbruikvermoedens en tegenbewijsmogelijkheden. Duitsland weigerde teruggaaf van dividendbelasting aan niet-ingezeten vennootschap als aan twee cumulatieve criteria was voldaan: (i) de buitenlandse vennootschap wordt gehouden door een persoon of lichaam die zelf geen recht zou hebben op een bronbelastingvrijstelling of -aftrek en (ii) de tussenplaatsing van de niet-ingezeten vennootschap ontbeert ‘economische of andere relevante redenen’;
ofde niet-ingezeten vennootschap haalt maar10% of minder inkomsten uit eigen activiteiten;
ofde niet-ingezeten vennootschap neemt niet deel “met een voor haar bedrijfsdoelstelling passend ingerichte bedrijfsvoering aan het algemene economische verkeer” (geen substance). Bij voldoening aan deze criteria achtte Duitsland tegenbewijs dat zich geen misbruik zou voordoen uitgesloten. Hij achtte de regeling gerechtvaardigd door zowel de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en -ontwijking als de doelstelling van behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten: Het HvJ EU ging daar echter niet in mee:
7.Filialisering
Koken
De Vries [50] gaan uit van het ontstaan van een vaste inrichting in het buitenland ter zake van de gevoegde buitenlandse vennootschap.
BNB1988/331 oordeelde over een Nederlands geïncorporeerde, doch feitelijk in het buitenland gevestigde vennootschap: [51]
BNB1998/47 heeft u dit uitgewerkt. U oordeelde dat ter zake van een in een Nederlandse fiscale eenheid opgenomen Nederlandse BV met louter Ierse bezigheden een vaste inrichting in Ierland ontstond: [52]
BNB2008/305 [53] kwam de vraag aan de orde of Europees recht noopte tot het toestaan van een grensoverschrijdende fiscale eenheid. In de conclusie ben ik ingegaan op de internationaalrechtelijke gevolgen van zo’n eenheid, met name op het aspect van de vaste inrichting. Ik concludeerde:
X Holding [54] gewezen, waaraan u de conclusie [55] verbond dat een grensoverschrijdende fiscale eenheid niet toegestaan hoefde te worden, zodat filialisering niet hoefde te worden behandeld.
BNB2016/233 [56] , waarin u eveneens prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU, die de vragen gevoegd heeft behandeld met de prejudiciële vragen in belanghebbendes geval, heeft u wel iets over deze kwestie opgemerkt: