Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor poging zware mishandeling nadat hij een persoon die op de grond lag met kracht tegen het hoofd schopte en sloeg. De feiten speelden zich af op 20 september 2015 te Rotterdam, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij handelde uit noodweerexces, omdat hij zijn zwangere zus verdedigde tegen een aanval van het slachtoffer.
Het hof oordeelde dat de noodweersituatie was geëindigd toen het slachtoffer op de grond lag en dat de daaropvolgende geweldshandelingen niet het onmiddellijke gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande aanranding. Het hof vond de handelingen disproportioneel en verwierp het beroep op noodweerexces.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en herhaalt de voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweerexces, waaronder dat de gedraging het onmiddellijke gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad stelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft en het oordeel niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de veroordeling voor poging zware mishandeling zonder toepassing van noodweerexces.