Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
3.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
4.Beslissing
6 maart 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de benadeelde partij volledig ontvankelijk was in haar vordering tot schadevergoeding voor immateriële schade veroorzaakt door bedreiging en groepsbelediging gepleegd door verdachte namens de benadeelde partij. Het hof had geoordeeld dat de benadeelde partij slechts gedeeltelijk ontvankelijk was, omdat niet alle bewezenverklaarde feiten rechtstreeks verband hielden met de schade van de benadeelde partij.
De bewezenverklaarde feiten betroffen onder meer bedreigingen en beledigingen gericht aan derden namens de benadeelde partij, waaronder het verspreiden van bedreigende en beledigende brieven aan moskeeën en seksshops. De benadeelde partij vorderde een vergoeding van ruim €10.000,- voor immateriële schade, waarvan het hof slechts €2.500,- toekende en het overige deel niet-ontvankelijk verklaarde.
De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat het beantwoorden van de vraag of de gevorderde immateriële schade rechtstreeks was toegebracht door de bewezenverklaarde bedreigingen en groepsbeledigingen aan derden, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de benadeelde partij slechts gedeeltelijk ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding.