Conclusie
eerste middelwordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat een aantal van de slachtoffers niet binnen de termijn als bedoeld in art. 66, eerste lid, Sr aangifte heeft gedaan dan wel een klacht heeft ingediend niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dat oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet begrijpelijk.
ten tijde van het doen van aangiftede wens had dat een vervolging zou worden ingesteld. [10] Ook uit de omstandigheid dat de aangever beklag als bedoeld in art. 12 Sv Pro had gedaan, kon worden afgeleid dat het zijn bedoeling was dat een vervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld. [11] Hetzelfde gold voor de omstandigheid dat de beledigde opsporingsambtenaar ter zake een proces-verbaal van bevindingen had opgemaakt waarin zij de wens te kennen had gegeven dat de verdachte zou worden vervolgd. [12]
NJ1969/193, waarin de Hoge Raad overwoog dat ingevolge art. 269 Sr Pro in verbinding met art. 66 Sr Pro het ten laste gelegde slechts vervolgbaar en mitsdien de officier van justitie slechts ontvankelijk is na een klacht, ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klacht gerechtigde kennis heeft bekomen van het misdrijf. [16] In de desbetreffende zaak had de politierechter niet onderzocht of de klacht was gedaan binnen drie maanden na het bekend worden van het misdrijf. De politierechter had aldus niet de ontvankelijkheid van de officier van justitie onderzocht, met nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg.
NJ2007/527 m.nt. Reijntjes, waarin het ging om een vervolging wegens overtreding van art. 247 (oud) Sr. Ten tijde van het ten laste gelegde was de termijn voor het indienen van een klacht gelijkgesteld aan de verjaringstermijn. Pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep had de benadeelde de wens geuit dat de verdachte zou worden vervolgd. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat aan het vereiste van een klacht was voldaan niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en nam daarbij onder meer in aanmerking dat de termijn waarbinnen de benadeelde op grond van art. 247, derde lid, (oud) Sr in verbinding met art. 245, vierde lid, (oud) Sr een klacht kon indienen, pas zou eindigen op de dag waarop de verjaringstermijn zou eindigen.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de politie vermoedelijke slachtoffers van afdreiging mocht benaderen zonder dat zij een klacht hadden ingediend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is.
NJ1978/692 dat in de regeling van de op klacht vervolgbare misdrijven de klacht weliswaar slechts wordt aangemerkt als voorwaarde voor toelaatbaarheid van vervolging ter zake van zodanig misdrijf, maar dat de strekking van die regeling meebrengt dat ook opsporingshandelingen te dier zake bij gebreke van een klacht achterwege blijven, tenzij de tot klacht gerechtigde te kennen heeft gegeven een opsporingsonderzoek te wensen. De Hoge Raad wees daarbij op de ratio van het klachtvereiste, te weten het voorkomen dat het bijzonder belang groter nadeel lijdt door het instellen van een vervolging dan het openbaar belang door het niet-instellen daarvan. Ongewenste ruchtbaarheid kan door de door het delict getroffene als pijnlijk worden ervaren. Dit bijzondere belang kan reeds worden benadeeld door een opsporingsonderzoek. Het onderzoek ter voorbereiding van een vervolging mag dan ook slechts worden ondernomen als er een klacht is ingediend of als de tot klacht gerechtigde te kennen heeft gegeven zodanig onderzoek te wensen. In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad deze koers bevestigd. [18]