Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 maart 2016, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplichtigheid aan oplichting werd toegewezen.
De verdachte werd bij het hof geconfronteerd met middelen die onder meer betrekking hadden op het daadwerkelijk behaalde voordeel, een voorwaardelijk getuigenverzoek dat in het hoger beroep werd afgewezen, en het rechtsgevolg van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste en hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 januari 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.