Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde zich met behulp van drie rechtspersonen ( [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V.) heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten waaruit hij financieel voordeel heeft genoten.
Aan de rechtspersoon [A] B.V. zijn goederen geleverd met een totaal factuurbedrag van € 150.006,53, aan de rechtspersoon [B] B.V. zijn goederen geleverd met een factuurbedrag van € 258.153,89 en aan [C] B.V. zijn goederen geleverd met een factuurbedrag van € 253.200,77.
Het was dus met name de snelheid van handelen die maakte dat de opgezette constructie succesvol was.
Immers, snelle doorverkoop maakte dat de schuldeisers de goederen niet konden terughalen. Inherent hieraan is dat genoegen moest worden genomen met een lagere opbrengst dan de factuurwaarde, nu haast bij verkoop en het veelal ontbreken van administratieve verantwoording een lagere verkoopopbrengst met zich brengen. Een en ander geldt voor alle drie rechtspersonen.
Het hof zal bij de rechtspersonen [A] B.V. en [B] B.V. daarom uitgaan van een opbrengst van 60% van de factuurwaarde, gelet op de gelijke werkwijze van die beide rechtspersonen.
(…)
Dat veroordeelde slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld binnen de criminele organisaties en daarom niet heeft gedeeld in de winst, acht het hof niet aannemelijk geworden gelet op de inhoud van het dossier en het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank.
(…)”
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot matiging van de betalingsverplichting onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.